Begrippenlijst weer en klimaten
Aambeeld
Het vlakke,
platte bovenste gedeelte van een sterk ontwikkelde buienwolk (cumulonimbus).
Het werd zo genoemd omdat het sterke gelijkenissen vertoont als het
aambeeld van een smid.
aardoppervlak
Het aardoppervlak bestaat uit water of land. Het land is snel verwarmd
en ook snel weer afgekoeld. Het water wordt veel langzamer warm, maar
houdt de warmte ook veel langer vast. Dit heeft tot gevolg dat de temp.
verschillen boven zee niet groot zijn. Boven land kunnen echter wel grote
verschillen voorkomen.
Absoluut nulpunt
De laagst
mogelijke temperatuur. Bij deze temperatuur komt alle beweging van
moleculen tot stilstand. Anders gezegd: het absolute nulpunt is de
temperatuur waarbij de druk van een ideaal gas nul is. Het absolute
nulpunt ligt op -273,15°C en is het beginpunt van de temperatuurschaal
van Kelvin.
Absorptie
Het proces
waarbij invallende stralingsenergie wordt vastgehouden door een materie.
Deze stralingsenergie wordt dan omgevormd naar moleculaire energie.
De verhouding tussen de stralingsintensiteit die wordt geabsorbeerd en
de totale invallende straling heet de absorptieverhouding of
avsorptiviteit. Een voorbeeld is de zonnewarmte in het aardoppervlak,
waardoor het aardoppervlak wordt verwarmd.
Advectie
De horizontale
verplaatsing van een eigenschap (bijvoorbeeld warmte, vochtigheid) in de
atmosfeer door de beweging van lucht (wind).
Advectief
onweer
Onweer dat op een
andere plaats is ontstaan en door de heersende hoogtewind wordt
aangevoerd.
Advectieve
luchtlaag
Een stabiele
luchtlaag waarin de verandering in temperatuur, vocht en dergelijke op
een bepaald punt het gevolg zijn van advectie en niet door turbulentie
en convectie worden veroorzaakt.
Advectieve
mist
Mist die ontstaat
door warme, vochtige lucht over een koud oppervlak te bewegen, waarbij
de lucht afkoelt tot op of beneden het dauwpunt. Bijv. warme lucht over
nog koud zeewater.
Aflandige wind
Wind die over
land naar zee waait in tegenstelling tot aanlandige zeewind.
Altimeter
Een andere naam
voor hoogtemeter. De werking ervan berust op het principe van afnemende
luchtdruk met hoogte. Een altimeter is in feite niks meer dan een
barometer waarvan de schaalverdeling in meter is weergegeven. Hoe hoger,
hoe lager de luchtdruk is.
Alto-cumulus
Vlokkige stapelwolken die op middelbare hoogte voorkomen.
Alto-stratus
Veelal vezelige of draderige en gelaagde wolkensluier op middelbare
hoogte. Deze wolken vinden we vooral langs de frontvlakken en geven vaak
neerslag.
amplitudo
Het verschil tussen de laagste en de hoogste temperatuur per dag
(dagamplitude) of per jaar (jaaramplitude).
anemometer
Instrument waarmee de windsnelheid wordt bepaald. De windsnelheid wordt
uitgedrukt in meters per seconde of kilometers per uur.
Anticyclonaal
Het stromingsproces
bij hogedrukgebieden op het noordelijk halfrond: cirkelvorming met de
wijzers van de klok mee.
Anticyclonaal
zadelgebied
Zadelgebied
waarin de invloed van de aanliggende hogedrukgebieden het grootst is.
Het weerbeeld is erg rustig en doorgaans ook vrij zonnig.
Anticyclonale
kromming
Afbuiging van de
isobaren naar rechts, gezien in de richting van de wind (op het
noordelijk halfrond). Een rug van hoge luchtdruk is een voorbeeld van
een isobarenpatroon met anticyclonale kromming. De bijbehorende
verticale luchtbewegingen komen overeen met de anticyclonale
luchtbeweging.
Anticyclonale
luchtbeweging
Luchtstroming
rondom een hogedrukgebied. Op het noordelijk halfrond stroomt de lucht,
van boven af gezien, in de richting van de klok rond het hogedrukgebied.
Op het zuidelijk halfrond precies andersom. In de onderste luchtlagen
stroomt de lucht uit het hogedrukgebied weg (divergente luchtbeweging).
Deze wegstromende lucht wordt vervangen door lucht uit hogere
luchtlagen, zodat in het hogedrukgebied een grootschalige dalende
luchtbeweging aanwezig is. Deze dalende lucht wordt in een adiabatisch
proces verwarmd, waardoor eventueel aanwezige bewolking kan oplossen.
Aphelium
Punt op de
ellipsvormige aardbaan waar de aarde het verst van de zon staat (152
miljoen km).
Apogeum
Punt op de
ellipsvormige maanbaan waar de maan het verst van de aarde staat
(406.700 km).
arctische lucht
Een luchtsoort die uit de poolstreken afkomstig is. Zie luchtsoort.
aride klimaten
Droogte klimaten ofwel B-klimaat van Koppen. Men kan berekenen of een
klimaat behoort tot de aride klimaten of niet. Hierbij wordt de volgende
formule gebruikt: r=2t. Dit is de zgn. droogtegrens. r is de jaarlijkse
neerslag in cm! en t is de gemiddelde jaartemperatuur in gr. Celsius.
Bevindt men zich in een gebied waar r<2t dan heb je met een droogte
klimaat te maken en wel een BS-klimaat. Is r
atmosfeer
Het luchtomhulsel van de aarde, waar zich in de onderste laag (tot 15
km hoogte) het weer afspeelt. De lucht bestaat afgezien van (max. 4%
waterdamp) uit stikstof (78%), zuurstof (21%) en voor 1% andere gassen
waaronder kooldioxyde en ozon. Naast deze componenten treffen we in de
lucht als verontreiniging aan: vulkanische as, zout, rook- en
roetdeeltjes. Deze komen voor vlak bij de aardoppervlakte. Deze
verontreinigingen zijn van belang voor de vorming van neerslag. Men
onderscheidt in de atmosfeer verschillende lagen: 1.Tot gemiddeld 12 km de
TROPOSFEER. Hierin spelen zich de weersverschijnselen af. De bovenste laag
van de troposfeer is door de verwarming van de atmosfeer van onderaf het
koudste. 2. Tot ongeveer 50 km de STRATOSFEER. Hierin bevindt zich de
ozonlaag. Hierin neemt met het stijgen in hoogte de temperatuur toe! 3.
Tot ongeveer 80 km de MESOSFER. 4. Tot ongeveer 180 km de THERMOSFEER. 5.
Vanaf 60 a 70 km tot ongeveer 600 km de IONOSFEER. In deze zone komt
slechts geioniseerde lucht voor, dwz. de luchtmoleculen zijn gesplitst in
elektrisch geladen deeltjes. Atmosfeer: het gewicht van de luchtkolom op
het aardoppervlak. Het bedraagt ong. 1 kg per vierk. cm. Per vierk. meter
een gewicht van 1 ton! 9/10 van alle lucht bevindt zich in de onderste 16
km van de atmosfeer. Zie dampkring.
Autan
Is een warme wind
die zijn oorsprong heeft aan de Middellandse Zee. Hij blaast uit de
ZO-sector tussen Montpellier en Perpignan. De gemiddelde windsnelheid
ervan bedraagt rond de 50 km/h, met windstoten die kunnen oplopen tot 70
ý 80 km/h. Er bestaan twee types "autan":
"Autan blanc": is het meest voorkomende type. Deze is
krachtig en droog en kan gerust een week lang waaien. Hij ontstaat
wanneer er zich boven Centraal-Europa een anticycloon bevindt waarvan de
zuidelijke grens zich aan de Golf van Lyon uitstrekt. De lucht wordt
door de Middellandse Zee vochtig en geeft aanleiding tot vorming van
regen en mist boven het Languedoc en de Roussillon. Ten westen van de
CÈvennes en de Montagne Noir is hij droog en warm.
"Autan noir": Deze is zwakker maar duurzamer dan het
andere type. Deze ontstaat wanneer er zich boven de golf van Biskaje een
laag bevindt waarvan de noordoost-kant boven het Langueoc uitsteekt waar
de hemel betrokken en regenachtig is. Ten westen van de CÈvennes wordt
het weer beter en neemt de temperatuur toe.
avondrood
De opvallende rode kleur die aan de westelijke hemel vaak te zien is
bij zonsondergang. Ze is te danken aan het feit, dat de violette, blauwe
en groene stralen van het zonlicht, als ze een lange weg door de atmosfeer
moeten afleggen, sterk worden verstrooid. De verstrooiing zien we vooral
wanneer in de lucht veel stof of waterdamp voorkomt.
Azorenhoog
Het hoge drukgebied in de buurt van de Azoren. Het behoort tot de
subtropische gordel van hoge luchtdruk op het noordelijk halfrond. Het
vormt dikwijls het centrale gebied voor mooi weer situaties in
Midden-Europa. Maar kan ook samen met het IJsland-laag een westcirculatie
tot stand brengen.
Terug
naar de Index
- Barber
-
- Lokale wind
in Canada. Het is een hevige blizzard. De naam betekent barbier,
ofwel kapper. Dat heeft alles te maken met de harde sneeuwkristallen
die in die stormwinden met zeer koude continentaal polaire lucht (cPL)
op de huid erg pijnlijk aan kunnen komen.
-
-
Barokliene atmosfeer
-
- (ook wel:
barokliene onstabiliteit) Ontwikkelende onstabiliteit ten gevolge
van temperatuurverschillen in de atmosfeer boven een groot gebied.
Voorbeelden daarvan zijn de slechtweergebieden bij een front, op de
grens dus tussen twee luchtsoorten. Tegenover een barokliene
atmosfeer staat een barotrope atmosfeer.
-
barometer
Een instrument om de luchtdruk te meten. Ze bestaat meestal uit een
luchtledige metalen doos. Deze doos wordt door een stijgende luchtdruk
ingedrukt en bij dalende luchtdruk zet hij wat uit. Via een
hevelmechanisme worden deze bewegingen op een wijzer overgebracht. Zie ook
luchtdruk.
-
Barometrische druk
-
- Een andere
naam voor luchtdruk. Het is de druk uitgeoefend door de atmosfeer op
een gegeven punt. Deze wordt meestal weergegeven in hectoPascal (hPa).
-
- Barotrope
atmosfeer
-
- Een
luchtmassa (boven een bepaald gebied) waarin weinig
temperatuurverschillen voorkomen. In een barotrope atmosfeer komen
in het algemeen storingen moeilijk of niet tot verdere ontwikkeling.
De barotrope atmosfeer staat tegenover de barokliene atmosfeer.
Beaufort
Engelse admiraal Sir Francis Beaufort, die in 1805 een verdeling maakte
voor het schatten van de windsnelheid op zee. Men spreekt in Nederland
van: windkracht. De schaal van Beaufort: boven land: 0: windstil 1 en 2:
zwakke wind 3 en 4: matige wind 5: vrij krachtige wind 6: krachtige wind
7: harde wind 8: stormachtige wind 9: storm 10: zware storm 11: zeer zware
storm 12: orkaan Windkracht 12 komt overeen met een windsnelheid van ten
minste 120 km per uur.
- Bedekkingsgraad
-
- De mate
waarin de hemel bedekt is met wolken. Deze wordt aan de hand van
schattingen bepaald en uitgedrukt in achtsten. 0/8 is onbewolkt, 4/8
is halfbewolkt en 8/8 is geheel bewolkt
bergklimaat
Klimaat waarvan de eigenschappen door het ter plaatse aanwezig zijn van
een gebergte anders is dan men gezien de breedteligging van het terrein en
zijn positie ten opzichte van de zee zou verwachten. Als het gebergte hoog
genoeg is zal er een EH-klimaat ontstaan, waar de gemiddelde temperatuur
in de warmste maand niet hoger wordt dan 10 gr. C. Zie klimaat
bergwind
De wind die onder invloed van de lokale omstandigheden soms over de
flanken en bodems van de bergdalen naar beneden komt. De lucht gaat dan in
ongeveer in de zelfde richting als het stromend water. De bergwind
ontstaat als de luchtdruk in de lagere dalgedeelten het laagst wordt. Dit
kan het geval zijn als de lucht daar bij instraling het sterkst verwarmd
wordt of bij uitstraling het minst afkoelt.
- Betrokken
-
- Volledig
(8/8) bewolkt. In metarberichten dikwijls afgekort tot OVC (overcast).
-
- Bijzon
-
- Behoort tot
de optische verschijnselen, waarbij aan een zijde of weerskanten van
de zon op de kleine kring ('halo') een heldere, dikwijls opvallend
gekleurde vlek te zien is. Zij ontstaat door lichtbreking in
ijskristallen van Cirrusbewolking. Komt enkel voor bij hoge
bewolking die dus bestaat uit ijskristallen. Bijzonnen zijn soms met
twee (wanneer de hemel met uitgestrekte bewolking bedekt is die
bestaat uit ijskristallen - cirrus en cirrostratus): ÈÈn links van
de zon en ÈÈn rechts. Vandaar ook de naam linker- en rechterbijzon.
-
- Bliksem
-
- De sterke
elektrische ontlading in onze atmosfeer die bij onweer voorkomt.
Voor de hoofdontlading vindt er er een (zwakke) inleidende
voorontlading plaats. De lucht in de directe omgeving van het
bliksemkanaal warmt in korte tijd (enkele miljoenste seconde)
zodanig op en expandeert enorm. De verplaatsing van deze lucht nemen
we waar als de donder. Spanningen kunnen snel oplopen tot enkele
honderden kilovolts en de stromen in het bliksemkanaal bereiken
gemakkelijk ettelijke duizenden ampËre.
-
Blizzard
De met zware sneeuwstormen gepaard gaande koude invallen, die 's
winters in Noord-Amerika, na het voorbij trekken van een depressie
mogelijk zijn. Arctische lucht dringt dan soms tot in de subtropen door.
Met de blizzard vergelijkbare sneeuwstormen komen ook in Siberie en zelfs
in Europa voor. In de kustgebieden van Europa gaan ze echter slechts
zelden gepaard met een grote temperatuur daling, doordat de arctische
lucht er voor zijn komst meestal een lange weg over betrekkelijk warm
zeewater heeft afgelegd en daarbij sterk verwarmd is.
-
Blokkade
-
- We spreken
van een blokkade als een hogedrukgebied ook in de hogere luchtlagen
sterk aanwezig is. Het hogedrukgebied blokkeert de doorgang van
depressies en stuurt ze naar het noorden of zuiden. Blokkades
veroorzaken in Nederland vaak winters met schaatsijs en zomers met
warmte
-
- Bolbliksem
-
- Een
eigenaardig type bliksem in de vorm van een bol die zich traag
voortbeweegt. Deze bol kan plotseling verdwijnen in het niets, ofwel
met een explosie. De afmetingen ervan variÎren van de grootte van
een tennisbal tot zo'n 10 ý 20 cm in diameter. Over het ontstaan
ervan zijn verscheidene theorieÎn, echter geen enkele is tot nu toe
bewezen.
-
-
Bovenraakboog
-
- Optisch
verschijnsel, dat op het hoogste punt van een kring om de zon vaak
in gebogen V-vorm te zien is en in wezen een onderdeel vormt van een
andere lichtkring.
-
- Bora
-
- De bora is
een koude orografische wind die blaast vanuit de Balkan en over een
relatief warmere vlakte trekt. Hij jaagt de golven van de
Adriatische Zee zo fel op dat hij een soort mist doet ontstaan die
de Italiaanse matrozen "Fumarea" noemen. Deze wind kan meerdere
dagen aanhouden. Hij waait vanuit een noordoostelijke sector met
snelheden tot kunnen oplopen tot 125 knopen! Hij kan gepaard gaan
met neerslag onder de vorm van regen of sneeuw.
-
-
Broeikaseffect
-
- Is de naam
die gegeven wordt aan de algemene opwarming van onze atmosfeer die
veroorzaakt wordt door de zogenaamde broeikasgassen zoals waterdamp,
koolstofdioxide (CO2) etc.
-
- Bui
Kort durende, doch meestal hevige neerslag. Ze valt uit
cumulo-nimbuswolken, zodra de sterke opstijgende luchtbewegingen, die deze
wolken laten ontstaan, de zich in de wolken vormende neerslagdruppels
niet meer kunnen beletten om te vallen. De sterke opstijgende
luchtbewegingen, waardoor de vorming van buienwolken mogelijk wordt,
zijn bij de evenaar een dagelijks verschijnsel en treden in de gematigde
streken vooral op als van hogere breedten afkomstige koude lucht aan de
aardoppervlakte sterk verwarmd wordt (maartse buien). Buien kunnen
voorts ontstaan als de lucht tegen een steil hellend frontvlak of een
berg worden
- Buienlijn
-
- Een reeks
Cumulonimbuswolken naast elkaar, van de grond af gezien als een muur
van buien.
Op de weerkaart: een lijn, die enigszins met een koufront
overeenkomt.
Op de satellietfoto: een langgerekte lijn van witte plekken (buien).
-
- Buienradar
-
- Op de tv zijn
tegenwoordig steeds vaker bewegende gekleurde plaatjes te zien, die
een indruk geven van plaats en intensiteit van de neerslag. Deze
plaatjes worden gemaakt van radarecho's die door regendruppels of
sneeuwvlokken worden teruggekaatst. De buienradar zendt
elektromagnetische straling uit. De golflengte is zo gekozen dat
kleine wolkendruppetjes de straling niet terugkaatsen, maar grotere
(regen)druppels en sneeuwvlokken wel. Hoe meer straling wordt
teruggekaatst, dus hoe intenser de echo, des te actiever is de
neerslag. Proefondervindelijk is gebleken dat de zwakste echo's
staan voor een neerslagintensiteit van rond de 0,2 mm per uur,
terwijl de zwaarste echo's garant staan voor minimaal 30 mm per uur.
Door nu meerdere plaatjes als een film achter elkaar af te spelen,
krijg je een indruk hoe de neerslag trekt en zich ontwikkelt.
-
- Buienwolk
-
- Een stevig
uitgebouwde stapelwolk die tot ettelijke kilometer hoogte reikt.
Meestal is er langs boven een aambeeld te zien. Typisch aan een
buienwolk is de vezelachtige structuur bovenaan. De wolk behoort tot
het geslacht cumulonimbus.
-
-
Buys-Ballot, Wet van
-
- Deze wet
geeft de windrichting weer in functie van het luchtdrukveld en wordt
als volgt geformuleerd: Een waarnemer met zijn wind in de rug heeft
op het noordelijk halfrond de lagedruk aan zijn linker- en de
hogedruk en zijn rechterzijde; op het zuidelijk halfrond is dit
precies omgekeerd. In het noordelijk halfrond draait de wind rond
een hogedrukgebied in wijzerzin en in tegenwijzerzin rond een
lagedrukgebied. Op het zuidelijk halfrond is de bewegingszin
omgekeerd.
-
Broeikaseffect
De atmosfeer vangt een deel van de uitgestraalde warmte in en houdt ze
vast. Belangrijke broeikasgassen zijn: waterdamp, kooldioxide, methaan,
lachgas en ozon. Wij produceren sinds ong. 1800 veel kooldioxide en
versterken het broeikaseffect.
BS-klimaat
Zie klimaat
BW-klimaat
Zie klimaat.
Terug
naar de Index
ceilometer
Instrument om de hoogte van de onderkant van de wolken te meten. Met
behulp van een zoeklicht beschijnt men de onderkant van de wolken. Een
lichtgevoelige foto-elektrische cel bepaalt via hoekmeting de hoogte van
de wolken.
Celsius
De naam van de Zweedse geleerde: Anders Celsius (1701-1744), die een
schaal voor temperatuurregistratie heeft ontworpen. Op deze schaal komt 0
gr. overeen met het smelt punt van ijs, terwijl 100 gr. het kookpunt van
water op zeeniveau is. (1 atmosfeer).
Cf-klimaat
Aanduiding van Koppen voor: Gematigd zeeklimaat met neerslag in alle
jaargetijden. Zie klimaat.
Chinaklimaat
Volgens Koppen een CW-klimaat. Een gematigd warm klimaat met koude
droge winters, veroorzaakt door een dan overheersende koude continentale
moesson. De neerslag valt in de gebieden met een Chinaklimaat vooral 's
zomers, wanneer een aanlandige zeemoesson waait. Er is daardoor verbouw
van rijst mogelijk. Zie klimaat.
Cirro-cumulus
Hoge stapelwolken in de vorm van lagen, die uit zgn. fijne schaapjes
bestaan. Cirro-cumulus ontstaat wanneer in een laag cirrus of cirrostratus
verticale opstijgende luchtbewegingen gaan optreden. Dit is nogal eens het
geval bij uitstraling. Een wolkenlaag blijft in dat geval nl. warmer dan
de daarboven aanwezige drogere lucht.
Cirro-stratus
Hoge, ijle wolkensluier die vaak een halo veroorzaakt. We zien de
cirro-stratuswolken vooral wanneer in de hogere niveaus warmere lucht
doordringt.
Cirrus
Wolken, die bestaan uit hoge ijskristallen met een vezelige structuur.
Cirruswolken zijn meestal ijle vederwolken. Cirrus betekent: toefje of
haarlok.
- CAPE
-
- Is de
afkorting voor de Engelse term "Convective Available Potential
Energy". Het is een maat voor de beschikbare energie voor convectie.
Voor zware onweders worden waarden gehaald van 1000 J/kg of meer. In
zeer uitzonderlijke omstandigheden lopen deze waarden zelfs op tot
5000 J/kg.
-
- Calvus
-
- Vervaging van
contouren door verijzing van Cumulus congestus-top.
-
- Capillatus
-
- Een 'harig'
scherm op en Cumulonimbus wolk.
-
-
Castellamus
-
- In de vorm
van "kantelen" of "torentjes". Het wijst meestal op een chaotische
windrichting op een bepaalde hoogte. Meest gekend is altocumulus
castellanus, soms de voorbode van onweer. Op grotere hoogte is er
cirrocumulus castellanus.
-
- Celsius
temperatuurschaal
-
-
Temperatuurschaal gebruikt in onze regio en ontworpen door de Zweed
Anders Celsius (1701-1744). 0° komt overeen met het vriespunt van
zuiver water en 100°C met het kookpunt van zuiver water bij een druk
van 1013.25 hPa.
-
- Cirrus (Ci)
-
- Behoort tot
de familie van de hoge bewolking. Vederwolken. Behoort tot de
categorie van de hoge wolken (meestal boven de 6km). Cirruswolken
vertonen vaak een vezelige, vaak gesluierd uiterlijk. Ze bestaan
geheel uit ijskristallen. Dichter wordende cirrus wijst soms op de
nadering van een warmtefront en gaat over in cirrostratus. Eveneens
kunnen bij dichte cirrus optische verschijnselen waargenomen worden
zoals halo's en bijzonnen.
-
-
Cirrocumulus (Cc)
-
- Behoort tot
de familie van de hoge bewolking. Band van dunne, witte
wolkenplukjes (schapewolkjes), banken of laag van wolken zonder
schaduwing op zeer hoog niveau. Bestaat uit zeer kleine elementen in
de vorm van korrels, ribbels, enz., al of niet gescheiden en min of
meer regelmatig gerangschikt; de meeste elementen hebben een
schijnbare afmeting van minder dan een graad.
Meestal op een hoogte van meer dan 6km. Ze bestaan volledig uit
ijskristallen.
-
-
Cirrostratus (Cs)
-
- Behoort tot
de familie van de hoge bewolking. Doorzichtige of doorschijnende,
witachtige wolkensluier met vezelachtig (haarachtig) of effen
uiterlijk, die de hemel geheel of gedeeltelijk bedekt en waarin
veelal haloverschijnselen zichtbaar zijn. Deze sluierachtige wolken
waarheen de zon of maan doorheen schijnt bestaan volledig uit
ijskristallen.
condensatie
De overgang van waterdamp naar een vloeibare vorm. Dit is mogelijk
wanneer de lucht afkoelt of zijn waterdampgehalte toeneemt. De afkoeling
treedt op bij uitstraling, menging met koudere lucht en opstijgende
bewegingen, terwijl de toeneming van het waterdampgehalte mogelijk is bij
menging met vochtiger lucht. Condensatie vindt veelal plaats rond
condensatiekernen en kan uiteindelijk leiden tot de vorming van mist, dauw
en wolken.
-
-
Condensatieniveau
-
- Is de hoogte
waarop de lucht volledig verzadigd is met waterdamp. Het is op deze
hoogte dat de wolkenbasis zich bevindt bij convectieve bewolking
(cumulus / cumulonimbus).
-
-
Condenseren
-
- Overgang van
gasvormige naar vloeibare toestand. Is het tegengestelde van
verdampen.
-
- Congestus
-
- Ophoping tot
bloemkoolachtige wolkenformaties.
-
-
Contra-barometer
-
- De
contra-barometer behoort samen met de Torricelli-barometer tot de
gevoeligste precisie weerinstrumenten, waarmee men de heersende
luchtdruk kan meten. Het grote voordeel van en contra-barometer is
de zéér duidelijke afleesbare maataanduiding. Een wijziging van 1 mm
in de kwikbuis wordt 10-voudig vergroot weergegeven in de
rechterbuis, gevuld met gekleurde vloeistof en veroorzaakt daar dus
een wijziging van 1 cm. De schaalindeling op een contra-barometer
geeft de heersende luchtdruk weer in millimeter en/of hectopascal.
De aanduiding is 'contra', dat wil zeggen als de luchtdruk daalt,
stijgt de indicatievloeistof en omgekeerd. Omschrijvingen op de
schaal zoals 'regen, veranderlijk, enz...' zijn meestal om
traditionele reden vermeld en hebben slechts een beperkte
geldigheid. Belangrijk bij de interpretatie van de aflezing is de
tendens, (stijgend of dalend). Om deze te kunnen vaststellen, is er
op een contra-barometer een verschuifbare indicator aangebracht
naast of op de rechter glazen buis welke gevuld is met de
indicatievloeistof.
-
-
Contrail
-
-
Vliegtuigcondensatiestreep. Genoemd als afkorting van 'condens trail'.
Vaak ontstaan ze door directe overgang van water in ijs (bevriezing)
en deels ook wanneer waterdamp direct in ijs overgaat (sublimatie).
Blijft de contrail langer dan 10 minuten zichtbaar dan spreken we
van een persistente contrail.
-
- Convectie
-
- Opstijging
van aan het aardoppervlak verwarmde lucht.
-
-
Convergentie-zone
-
- Het gebied
waar de noordoost- en de zuidoostpassaat elkaar ontmoeten.
Specifieke kenmerken ervan zijn veel bewolking, neerslag en relatief
weinig wind.
-
- Corriolis
kracht
-
- Een door de
aardrotatie veroorzaakte afwijking van de richting van de
luchtdeeltjes die deze eigenlijk zou moeten afleggen, nl. recht van
een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. Deze afwijking is op het
noordelijke halfrond naar rechts en op het zuidelijke halfrond naar
links voorop gesteld dat de waarnemer met zijn rug naar de wind
staat.
-
- Cumuliform
-
- Gevormd als
Cumulus; lijkend op een cumuluswolk, dus opbollend.
-
-
Cumulogenitus
-
- Uit een of
andere cumulussoort ontstaan.
-
-
Cumulonimbus (Cb)
-
- Behoort tot
de familie van de zich vertikaal ontwikkelde wolken. Zware en dichte
wolk van aanzienlijke vertikale afmeting, in de vorm van een berg of
van een groep hoog oprijzende torens. Zijn bovenzijde is gewoonlijk,
althans ten dele, effen of vezelachtig of streperig, en bijna altijd
afgeplat; dit gedeelte spreidt zich vaak uit in de vorm van een
aambeeld of een omvangrijke pluim. Onder de basis van deze wolk, die
dikwijls zeer donker is, bevinden zich veelal lage wolkenflarden,
die er al of niet mede zijn versmolten, er zijn soms valstrepen (virga)
te zien. Het zijn dus zeer grote stapelwolken die bovenaan geheel
uit ijskristallen bestaan. De wolkenbasis ligt vaak beneden de 2
kilometer, terwijl de top vaak ettelijke kilometers hoger terug te
vinden is. Een sterk afgelijnde bovenkant laat zien dat het
ijsstadium nog niet bereikt is.
-
- Cumulus
(Cu)
-
- Behoort tot
de familie van de zich vertikaal ontwikkelde wolken. Afzonderlijke,
over het algemeen dichte wolken met scherpe omtrekken, die zich in
vertikale richting ontwikkelen in de vorm van kopjes, koepels of
torens waarvan het bovenste, opbollende gedeelte dikwijls op een
bloemkool lijkt. De door de zon beschenen delen van deze wolken zijn
meestal verblindend wit; hun onderzijde is betrekkelijk donker en
vrijwel horizontaal. Soms ziet Cumulus er gerafeld uit. Ze behoren
tot de categorie van de lage wolken met vertikale ontwikkeling
(wolkenbasis beneden de 2km). Ze kunnen echter uitgroeien tot
grotere hoogtes en zelfs het stadium van cumulonimbus bereiken.
Cumuli met geringe vertikale ontwikkeling zijn mooi-weer wolken, de
zgn. 'cumulus humilis' (humilis = onaanzienlijk) welke meestal
optreden bij standvastig weer.
-
- Cycloon
-
- Een
lagedrukgebied met zeer grote windsnelheden. Meestal gebruikt in de
context van tropische cyclonen. Algemeen gesteld is een cycloon
(lagedrukgebied) de tegenhanger van een anticycloon of
hogedrukgebied. Het zijn kleine maar zeer intense depressies met een
afmeting van enkele honderden kilometers. Ze moeten daarmee niet
verward worden met tornado's. De wind waait rondom een tropische
cycloon op dezelfde manier als rond een depressie: op het noordelijk
halfrond tegen de wijzers van de klok in en op het zuidelijk
halfrond met de wijzers van de klok mee. In het centrum van een
tropische cycloon bevindt zich vaak een 'oog': er is geen bewolking
aanwezig en het is er vrijwel windstil.
-
-
Cyclonaal
-
- Het
stromingspatroon bij depressies op het noordelijk halfrond;
cirkelvormige luchtstroom tegen de wijzers van de klok in.
Terug
naar de Index
dalwind
Wind die over de bodem van een dal naar boven gaat en het gevolg is van
een voor het dal karakteristieke warmtehuishouding, waarbij de temperatuur
in de lagere delen van het dal zo veel steeg, dat de lucht er onstabiel
kon worden.
dampkring
Een ander woord voor dampkring is atmosfeer. Zie atmosfeer
dauw
Aan opperevlakten aanwezige waterdruppeltjes. Dauw is meestal door
condensatie van waterdamp ontstaan. Wanneer ze bevriest spreekt men wel
van witte dauw. Zie condensatie.
dauwpunt
De temperatuur tot welke de lucht moet afkoelen om verzadigd te raken
met waterdamp. Het dauwpunt ligt des te lager naarmate de lucht droger is.
Wanneer de lucht door afkoeling verzadigd raakt zullen mist en dauwvorming
optreden. Aan de aardoppervlakte kan dauw al optreden voor de lucht geheel
verzadigd is geraakt.
- Decade
-
- Een periode
van 10 dagen. De eerste decade is dus van dag 1 t/m dag 10 van de
maand, de tweede decade is van dag 11 t/m dag 20 en de derde decade
is van dag 21 t/m de laatste dag van de maand
depressie
Een gebied met lage luchtdruk en in de omgeving waarvan de luchtdruk
dus overal hoger is. Depressies ontstaan bij opstijgende luchtbewegingen,
wanneer boven een bepaalde plaats meer lucht opstijgt en naar elders
afvloeit dan tegelijkertijd langs de aardoppervlakte toestroomt. Dit is
het geval wanneer de toestromende lucht onder invloed van de aardrotatie
of middelpuntvliedende krachten (schijnbaar) afgebogen wordt. In de tropen
vinden we zgn. thermische depressies en op hogere breedten zgn. dynamische
depressies. In de tropen zijn depressies een gevolg van opstijgende
bewegingen door verwarming van het aardoppervlak, op hogere breedte stijgt
de lucht op ten gevolge van een front. Zie front.
D-klimaat
Volgens Koppen een klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur van de
koudste maand niet boven de -3 gr. C uitkomt, maar de gemiddelde
zomertemperatuur hoger ligt dan 10 gr. C. Dit klimaat vinden we alleen op
het noordelijk halfrond, waar zich grote continenten bevinden. In totaal
beslaan deze klimaten iets meer dan 7% van het aardoppervlak. De vegetatie
in deze gebieden bestaat veelal uit naaldbomen en hier en daar ziet men
ook berken. De uitgestrekte naaldbossen in Rusland worden taiga genoemd.
Zie: taiga en klimaat.
-
Diepvrieskou
-
- Als de
minimumtemperatuur beneden de -20°C komt spreken we van
diepvrieskou. Dit is voor Nederland uitzonderlijk.
-
- Diffractie
-
- Is de buiging
van licht. Diffractie leidt tot verschillende optische
verschijnselen aan de hemel.
-
- Diffuus
-
- Naar alle
richtingen verstrooid; bij lucht of warmtestraling.
-
- Divergeren
-
- Uiteenwijken.
doldrum
De zone met relatief rustig weer, die in de gordel met de hoogste
zonnestand voorkomt, dus tussen de keerkringen. De hier optredende sterke
verwarming van het aardoppervlak leidt tot belangrijke opstijgende
luchtbewegingen. In de tijden van het jaar dat zone met doldrums zich op
enige afstand van de evenaar bevindt, kunnen er bij een plaatselijk sterke
verwarming tropische cyclonen ontstaan.
donder
Het geluid dat de tijdens onweer optredende sterke elektrische
ontlading veroorzaakt. De geluidsgolven danken hun ontstaan aan het
uitzetten en daarna weer inkrimpen van de door de bliksem verwarmde lucht.
De geluidsgolven planten zich voort met een snelheid van ongeveer 340 m
per seconde waarbij terugkaatsing en wederzijdse beinvloeding van de
geluidsgolven ontstaat. Hierdoor krijgt de donder het karakter van
aanhoudend gerommel.
- Droge bol
temperatuur
-
- De
temperatuur gemeten met een thermometer met een droog reservoir. Zie
ook psychrometer en natte bol temperatuur.
droogte klimaat
Klimaat gekenmerkt door een zo grote droogte dat er maar weinig kan
groeien. De droogte klimaten beslaan nog geen 11% van de totale
aardoppervlakte. Ze nemen echter wel 33% van de continenten in beslag. Men
onderscheidt het BS-klimaat ofwel steppeklimaat en het BW-klimaat ofwel
het woestijnklimaat. In een woestijn is meestal nog wel enige begroeiing
aanwezig. Men noemt deze klimaten ook wel aride klimaten of met Koppen een
B-klimaat. Zie aride klimaten.
-
-
Droogteperiode
-
- Onder een
droogteperiode wordt verstaan een aaneengesloten periode van
minstens 20 dagen zonder meetbare (<0,1 mm) neerslag.
-
-
DrukgradiÎnt
-
- Is het
verschil in druk over een bepaalde afstand. Hoe groter de
drukgradiÎnt is, hoe groter de windsnelheid. Bij een zeer kleine
drukgradiÎnt is het haast windstil.
-
- Duplicatus
-
- Uit twee of
meer (wolken)lagen bestaand.
Terug
naar de Index
- Eclips
-
- Veel gebruikt
woord voor zonsverduistering.
Eem-interglaciaal
Warme periode tussen Saalien en Weichselien.
EF-klimaat
Bij dit klimaat komt zelfs de gemiddelde temperatuur van de warmste
maand niet boven de 0 gr. C. uit. in een dergelijk klimaat is geen
vegetatie mogelijk. We vinden deze klimaten over ongeveer 5% van het
aardoppervlak vooral op Antarctica en op Groenland. Als geheugensteuntje:
F = firn/ijs. Zie klimaat.
EH-klimaat
Zie bergklimaat en klimaat.
E-klimaat
Een polair of sneeuw klimaat, waar de gemiddelde temperatuur in de
warmste maand niet boven de 10 gr. c. uitkomt. We onderscheiden hier:
ET-klimaat =toendra klimaat. EF-klimaat = vorst- of sneeuwklimaat
EH-klimaat = hooggebergte klimaat. Zie ook daar en bij klimaat.
- El Niño
-
- In het Spaans
staat El Niño voor het Kerstkind. Het meteorologische verschijnsel
El Niño is ernaar genoemd omdat de kersttijd bij uitstek de tijd is
waarop het kan optreden. Bij een El Niño wordt de koude, zuidelike
zeestroming langs de westkust van Zuid-Amerika zwakker. Het opwellen
van koud water uit de diepte stopt, waardoor warm water van rond de
evenaar kan doordringen tot de kusten van Peru en Colombia. Dit
water, dat minder zuurstof en voedsel bevat, is de oorzaak van grote
vissterfte en daardoor het wegvallen van een belangrijke
inkomstenbron. Ook zorgt het warmere water voor veel vochtigere
lucht die in Peru en Colombia zware slagregens kan veroorzaken
waarbij vaak overstromingen optreden. Krachtige El Niño-situaties
hebben ook een uitwerking op het weer in de Verenigde Staten. De
tegenhanger van El Niño is La Niña.
-
-
-
Entrainment
-
- Als zich
eenmaal wolken gevormd hebben, dan zal aan de randen van de wolk
enige uitwisseling met omgevingslucht plaatsvinden. Deze
uitwisseling noemen we entrainment.
Het kan er toe leiden dat de wolk in een droge omgeving door
entrainment als het ware uitgedroogd wordt en niet lang kan
leven. Alleen heel grote wolken, bijvoorbeeld reusachtige
cumulonimbi, kunnen door hun omvang aan de gevolgend van
entraiment ontsnappen. De droge lucht is dan ook heel vaak
onstabiel, waardoor enkele buienwolken enorm kunnen uitgroeien.
-
-
-
Euroclyden
-
- Het
zijn stormachtige noordoostelijke winden in de Levant.
-
-
Euronotos
-
- Een
zuidoostelijke wind in Griekenland.
-
-
Europese moesson
-
-
Verschijnsel dat enigszins met de moessoncirculatie te
vergelijken is. De Europese moesson valt in de tweede helft
van juni in, nadat het europese vastenland gedurende een
periode met mooi zomerweer sterk is verhit. Er ontstaat op
die manier een thermisch lagedrukgebied. Het kenmerkt zich
vooral door het frequent optreden van winden uit richtingen
tussen west en noord.
equatoriale lucht
Luchtsoort afkomstig uit de tropen. Zie luchtsoort.
ET-klimaat
Klimaatsoort vaarvan de gemiddelde temperatuur van de warmste maand
ligt tussen de 0 en de 10 gr. C. Boomgroei is niet meer mogelijk, maar er
kan nog wel een lage plantengroei optreden o.a. rendiermos. Deze wordt 's
winters tegen bevriezen beschermd door de sneeuw. Door de lage temperatuur
valt er weinig neerslag, die echter eenmaal gevallen wel lang blijft
liggen of verwaaid wordt. Dit klimaat wordt ook wel toendra klimaat
genoemd. Zie klimaat.
evaporatie
Verdamping direct vanaf het aardoppervlak. Ze wordt vaak gecombineerd
met transpiratie tot: evapotranspiratie= totale verdamping.
- Exosfeer
-
- De buitenste
laag van onze atmosfeer die zich uitstrekt van zo'n 500 tot 1000km
hoogte.
Terug
naar de Index
Fahrenheit
Gabriel Fahrenheit (1686-1736) ontwierp en temperatuurschaal waarbij 0
gr. overeenkomt met het smeltpunt van ijs in een mengsel van ammoniak en
water, terwijl 32 gr. het smeltpunt van ijs is en 96 gr. de temperatuur
van een gezond menselijk lichaam. Het kookpunt van water ligt dan bij 212
gr.
firn
Overjarige sneeuw. Deze heeft door herhaaldelijk gedeeltelijk ontdooien
of verdampen en weer sublimeren of bevriezen haar oorspronkelijke
structuur verloren. daarbij zijn de afzonderlijke vlokken veranderd in
korrels, die enigszins aaneengroeiden. De firnkorrels kunnen versmelten
tot een ijsmassa.
fohn
Aan de zuidkant van de Alpen wordt bij een zuidenwind de lucht
gedwongen op te stijgen en verwarmt zich tijdens het afdalen aan de
noordkant van de Alpen en bereikt hier een hogere temperatuur dan aanwezig
aan de zuidkant. De fohnwind aan de noordzijde van de Alpen doet de
temperatuur in enkele uren 15 tot 20 gr. stijgen. Zeer heldere lucht,
typische fohnwolken en gevaarlijk i.v.m. lawines.
front
De overgang tussen twee luchtsoorten. Het scheidingsvlak tussen de twee
luchtsoorten noemen we het frontvlak. Frontvlakken staan niet verticaal,
doordat de koudste lucht zich steeds onder de warme dringt. De helling van
een frontvlak wordt bepaald door allerlei factoren, zoals de met de
temperatuur samenhangende verschillen in dichtheid aan weerszijden van het
frontvlak. In het algemeen is de helling bij het opdringen van koude lucht
(koufront) groter dan bij het opdringen van warme lucht (warmtefront).
Koude lucht ondervindt, doordat ze zich over het aardoppervlak verplaatst
meer wrijving dan de warme lucht. Door de temperatuurverschillen aan
weerszijdenvan het frontvlak kunnen langs het frontvlak opstijgenden
luchtbewegingen plaats vinden, die door afkoeling van een van de warme
lucht tot condensatie en neerslag kan leiden. Het warmtefront heeft een
veel kleinere helling en is veel breder dan het koufront (tot 1.000 km).
Er ontstaat een dik wolkenpakket, waaruit vaak motregen valt. De neerslag
is gelijkmatig: men spreekt dan meestal van regen. Het koufront staat
steil en de frontale zone is meestal slecht enkele tietallen km. diep.
Door de grotere wrijving over het aardoppervlak is de neerslag buiig van
karakter en door de grote plaatselijke verschillen in stijging zijn de
druppels veel groter.
frontale zone
De overgangszone tussen twee luchtsoorten.
Terug
naar de Index
- Galilei
thermometer
-
- Hoewel
eigenlijk de Franse natuurkundige Jean Rey de eer toekomt, wordt
door sommigen de Italiaanse geleerde Galileo Galilei genoemd als
uitvinder van deze thermometer die al drie en een halve eeuw geleden
werd gebruikt en nu in een geheel eigentijdse vormgeving te koop is.
Het principe is als volgt: voorwerpen in een vloeistof, bij
gelijkblijvende grootte en gewicht, hebben de neiging te zinken als
die vloeistof warm wordt. De opwaartse kracht van de vloeistof wordt
namelijk bij verwarming minder. Wordt de vloeistof kouder, dan neemt
de opwaartse kracht juist toe en daarmee het drijfvermogen van de
voorwerpen die zich in die vloeistof bevinden. Een Galilei
thermometer maakt gebruik van deze eigenschap. De voorwerpen in deze
thermometer zin meestal glazen bolletjes gevuld met een gekleurde
vloeistof. Het gewicht van elk bolletje is zodanig gekozen dat dit
bolletje stijgt of daalt als de omringende vloeistof een bepaalde
temperatuur bereikt. Meestal is onderaan het glazen bolletje een
metalen schijfje bevestigd met daarop de temperatuurwaarde in graden
Celcius
gematigde zone
1. De gordels tussen de keerkringen en poolcirkels. 2. De gebieden met
een gematigd zeeklimaat en een gematigd landklimaat.
-
-
Geopotentiële hoogte
-
- Benadert de
actuele hoogte van een bepaald drukvlak boven gemiddelde zeeniveau.
Bijvoorbeeld: een geopotentiële hoogte van 1500 is het aantal meter
boven gemiddeld zeeniveau om het drukvlak van 850 hPa te bereiken.
gevoelstemperatuur
Deze geeft het verband aan tussen het afkoelend effect van koude
stilstaande lucht vergeleken met het afkoelende effect van de combinatie
van wind en koude lucht. Sinds 1939 heeft de Amerikaan Dr. Paul Siple.
Bijv. bij een combinatie van lucht van -8 gr. C. en een windkracht 7 geeft
een gevoelstemperatuur van -28 gr. C. De gevoelstemperatuur neemt van
zwakke tot matige wind snel toe om bij harde wind weinig meer te stijgen.
Boven windkracht 7 nauwelijks nog stijging. Engelse term: Wind chill
factor.
glaciaal
1. Onder invloed van landijs of gletsjers gevormd. 2. IJstijd. Tijdens
de laatste 2,5 miljoen jaar zijn er ongeveer 2 glacialen geweest,
afgewisseld met wat warmere perioden, de interglacialen. We spreken van
een ijstijd als de gemiddelde temperatuur van de warmste maand hier tot
gemiddeld beneden de 10 gr. C. daalt. In Scandinavie vormde zich het
brongebied van het ijs dat grote delen van Europa bedekte en ook Nederland
bereikte. In het brongebied werd het ijs wel 4000 meter dik. Ook in andere
delen van de wereld heeft een ijstijd invloed gehad. De zeespiegel werd
bijv. 100 tot150 m. lager dan nu. Ook werden klimaatzones opgeschoven of
ingedrukt.
gletsjer
Een bewegende en min of meer tongvormige ijsmassa, die uit een
komvormig gebied langzaam uit de bergen naar beneden stroomt. De
opeengehoopte overjarige sneeuw verandert geleidelijk in korrelige firn,
die weer in een ijsmassa overgaat. Deze ijsmassa zal als het voldoende
dikte bereikt heeft door zijn eigen gewicht plastisch worden en naar
beneden glijden.
- G.M.T.
-
- Greenwich
Mean Time, een tijdsaanduiding die over de gehele aardbol dezelfde
is in tegenstelling tot de plaatselijke tijd.
Golfstroom
De relatief warme zeestroom, die in de Golf van Mexico ontstaat,
vervolgens langs de kust van de USA tot Kaap Hatteras stroomt en daarna de
Atlantische Oceaan oversteekt in oostnoordoostelijke richting. Ze bereikt
dan de Britsen eilanden en Scandinavie en tenslotte komt ze terecht in de
Noordelijke IJszee. Door haar relatieve warmte (verdamping) is ze van
groot belang voor het weer en klimaat in West-Europa.
- Graad
-
- Ofwel 1/360
deel van een cirkel. De windrichting wordt dikwijls in graden
weergegeven. 0° komt overeen met het noorden, 90° met het oosten,
180° met het zuiden en 270° met het westen. Ofwel een eenheid op een
windschaal.
-
- Grondmist
-
- Mist die geen
grotere vertikale afmetingen heeft dan 2 meter. Kan ook grote
vertikale afmetingen aannemen en dan als mist waargenomen worden.
Terug
naar de Index
Haboeb
De Haboeb is een
wind die het meest voorkomt in het noordelijk en noordoostelijk deel van
Soedan. Ze worden gekenmerkt door een wervelende zandmassa, gepaard met
een plotse toename van de windsnelheid en verandering in windrichting,
een scherpe daling in temperatuur en een zeer slecht zicht. Ze hebben
een duidelijke dagelijkse gang: ze worden hoofdzakelijk in de loop van
de namiddag en avond waargenomen, eerder uitzonderlijk tussen 4 en 14h.
Het ontstaan van de meeste van deze haboebs schijnt te wijten te zijn
aan de ontmoeting van betrekkelijk koude en warme lucht; soms kan de
aanwezigheid van koude lucht veroorzaakt worden door het voorbijtrekken
van een diepe depressie over het noordelijk gedeelte van Soedan.
hagel
Een vorm van neerslag bestaande uit ijsdeeltjes met een diameter tot
enkele centimeters. Hagelkorrels zo groot als kippeeieren zijn mogelijk.
De ijsdeeltjes groeien langzamerhand ten gevolge van aangroeiing van
ijslaagjes tijdens hun weg op en neer door een grote stapelwolk
(Cumulo-nimbus). Hagel valt gewoonlijk gedurende zware onweersbuien.
Hageldag
Een hageldag is
een dag waarop minstens ÈÈn hagelkorrel is waargenomen
halo
Een optisch verschijnsel in de atmosfeer, o.a. kringen om de zon en
maan. Ontstaan door breking en buiging van zon- of maanlicht in
ijskristallen. Deze ijskristallen bevinden zich vooral in cirruswolken.
Harmattan
De harmattan is
een warme en droge noordoosten- tot oostenwind die over het noordwesten
van Afrika waait. Hij beÔnvloedt een gebied dat zich uitstrekt tot 5°
noorderbreedte in januari en tot 18° noorderbreedte in juli. In de
hogere luchtlagen vindt men hem terug ten zuiden van deze limiet waar
hij boven de zuidwestmoesson stijgt.
Hectopascal
De officiÎle
eenheid voor de luchtdruk. 1 hPa = 100 Pascal (1 Pa = 1N/m²). EÈn
hectopascal is hetzelfde als één millibar.
heiigheid
Bij langdurig mooi weer ontstaat er in de onderste lagen van de
atmosfeer een troebele laag die het zicht beperkt. Tegenwoordig wordt de
vorming van deze laag versneld en versterkt door de uitstoot van
industriele afvalstoffen en uitlaatgassen van het verkeer in de lucht.
Heliograaf
Toestel om de
hoeveelheid zonneschijn te registreren. Bestaat uit een massief glazen
bol met daarachter een diagram. Wanneer de zon schijnt brandt deze een
spoor in het diagram. De lengte van het brandspoor is een maat voor de
totale zonneschijnduur.
Hellingswind
Bij mooi weer
overdag wordt een aan de zon blootgestelde (berg)helling door de
zonnestraling verwarmd. De lucht die zich dichtbij de helling bevindt,
wordt daardoor meer verwarmd dan deze die zich op enige afstand van de
helling bevindt. Deze warmere lucht is lichter en gaat stijgen (anabatische
wind) en wordt op zijn beurt vervangen door lucht die zich aanvankelijk
op enige afstand van de helling bevond. Na enige tijd ontstaat er een
gesloten circulatie. Tijdens de nacht krijgen we net de omgekeerde
situatie: door de nachtelijke uitstraling koelt de berghelling meer af
en zo ook de zich onmiddellijk daarboven bevindende lucht. Wij krijgen
een dalende hellingswind (katabatische wind).
Hellmann
Pluviometer
Naar Gustav
Hellmann, Duits meteoroloog, 1854 - 1939. Deze neerslagmeter bestaat uit
een cilindervormige opvangbuis (200 cm²) met een trechter op de bodem.
Deze trechter zelf bevindt zich op 1 m boven het aardoppervlak en mondt
uit in een fles.
Helmwind
Een sterke,
koude, katabatische en buiige NO'sten wind langs de westelijke hellingen
van de Cross Fell bergen in Cumbria, NW Engeland. Het fenomeen komt
vooral gedurende de late winter en de lente. De naam "helm" komt van een
typische wolkenbank die boven de bergtoppen blijft hangen, soms ook "cap
cloud" genoemd.
Herfst
EÈn van de 4
seizoenen. De astronomische herfst begint rond 23 september wanneer de
dag- en nachtperiode exact even lang zijn. De weerkundige herfst start
echter reeds op 1 september en omvat ook nog de maanden oktober en
november. In dit seizoen treden de eerste (najaars-)stormen op.
Heterosfeer
Uit het Grieks:
heteros = anders geschapen. Dit deel van de atmosfeer, ongeveer vanaf
een hoogte van 120 km, in dewelke de samenstelling van de atmosfeer
verandert. M.a.w. het moleculair gewicht van gassen verandert ingevolge
o.m. de ontbinding van zuurstof (dissociatie) en diffusie.
Hittegolf
Hieronder
verstaan we een tijdvak van minstens 5 dagen, waarin de
maximumtemperatuur op alle dagen 25°C of hoger is en waarvan er minstens
3 dagen 30°C of hoger zijn.
Hondsdagen
De term
hondsdagen kun je wel eens in de loop van de zomer horen vallen. In
feite is er geen sprake van een weerkundig, maar van een louter
astronomisch verschijnsel. In deze periode, die ruwweg de laatste 2
weken van juli bestrijkt en de eerste 2 weken van augustus, komt de
heldere ster aan onze hemel, namelijk Sirius, glijk op met de zon en is
daarom onzichtbaar. In de herfst komt Sirius steeds vroeger op dan de
zon en dan in de late nacht zichtbaar. In de winter is Sirius 's avonds
en een groot deel van de nacht zichtbaar. Sirius staat op ruim acht
lichtjaren afstand en is de helderste ster van het sterrenbeeld de Grote
Hond, vandaar de naam hondsdagen. Zijn verdwijning in het felle zonlicht
valt gelijk met de midzomer, zeker in vroeger tijden (maar ook nu nog,
denk aan vakanties) een belangrijke periode in het jaar.
Hoog
Hogedrukgebied.
Daar is een luchtkolom zwaarder dan in de omgeving.
hoge drukgebied
Gebied met hoge luchtdruk. De hierin aanwezige dalende lucht doet
veelal de wolken oplossen (mooi weer). Er bestaat een zone van semi
permanente hoge druk tussen 20 en 30 gr. noorder- en zuiderbreedte (de
subtropische gordel van hoge luchtdruk).
hooggebergte klimaat
Klimaat dat voorkomt in een hooggelegen gebied. EH-klimaat. Door de
grote afstand tot het aardoppervlak (zeeniveau) is de dagelijkse gang van
de temperatuur soms zeer groot. Zie klimaat en EH-klimaat.
hoos
Sterke wervelende wind. Bij het ontstaan van een hoos ontstaat soms een
slurf. Een hoos die tot aan het aardoppervlak reikt kan grote schade
veroorzaken. Voor een deel wordt deze schade veroorzaakt door de sterke
lucht beweging in de slurf, terwijl de hier heersende lage druk er toe kan
leiden dat gebouwen openbarsten.
humide klimaten
Vochtige klimaten. Formule: r>2t. Zie aride klimaten.
Humilis
Nederig, laag,
onaanzienlijk, klein.
hurricane
Een in het Caribisch gebied door een tropische cycloon veroorzaakte
orkaan.
Hygrograaf
Automatisch
registrerende hygrometer.
hygrometer
Instrument om de relatieve luchtvochtigheid te meten. We kennen 2
soorten: 1. De haarhygrometer 2. De psychrometer.
Terug
naar de Index
Imbat
De lokale naam
voor een zeebries in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, langs
de Turkse westkust in de streek van Izmir.
Incus
Latijns voor
'aambeeld'. Een toegevoegde detailbeschrijving van het wolkengeslacht
Cumulonimbus. Bij zeer sterke vertikale ontwikkeling kan de top van deze
wolk onderaan de tropopauze of op grote hoogten uitwaaieren. De sterke
winden op deze niveaus drijven de ijskristallen in één richting zodat de
wolk er uit ziet als een aambeeld. Na het verdwijnen van de cumulonimbus
blijft de "incus" soms aanwezig als cirrostratus. Verkeersvliegers
houden steeds een veilige afstand van deze wolkvorm daar het gevaar voor
hagelschade meestal aanwezig is.
Indifferent
Een toestand in
de atmosfeer waarbij een luchtdeeltje dat daalt of stijgt, adiabatisch
afkoelt of opwarmt maar steeds de gelijke temperatuur aanneemt als de
omringende lucht. Het zal dus steeds op dezelfde positie blijven.
Inferno
Lokale aflandige
wind langs de oevers van het Lago Maggiore in Italië.
Infrarood
Is de naam van de
elektromagnetische straling waarvan de golflengte groter is dan deze van
het zichtbare licht. Infrarode straling noemt men ook wel eens
warmtestraling.
Infrarood
hygrometer
Apparaat voor het
meten van de relatieve luchtvochtigheid op basis van infrarode
lichtbundels. In het midden van de vorige eeuw ontwikkelde het US
Weather Bureau deze apparatuur. Het geheel bestaat uit een projector,
detector en een recorder. De werking is als volgt: vanuit de projector
worden twee infrarood lichtbundels met verschillende golflengten,
horizontaal door een luchtlaag gezonden. Eén golflengte kan door
waterdamp worden geabsorbeerd. In de detector kan het energieverschil
tussen de beide invallende lichtstralen worden gemeten. In de recorder
worden deze gegevens dan omgezet in relatieve vochtigheidsprocenten. Het
toestel blijkt zeer nauwkeurig te meten, ook nog bij extreem lage
tempeaturen te functioneren en bij uiterst geringe vochtigheidswaarden.
ijsdag
Dag waarop de temperatuur de gehele dag beneden het vriespunt blijft.
IJslandlaag
Een lage drukgebied boven de Atlantische Oceaan, in de buurt van
IJsland. Geeft tezamen met het Azorenhoog de boven West-Europa
overheersende westelijke luchtstroming die voor vel wind en regen zorgt en
voor opklaringen die van korte duur zijn.
ijstijd
Zie glaciaal.
ijzel
Zie onderkoeling.
inversie
Sterke afkoeling van de onderste luchtlagen in een hogedrukgebied waar
door een kussen van koude lucht ontstaan is en waarboven zich warme lucht
bevind (grondinversie). Vertikale stromingen worden onderdrukt.
Uitlaatgassen hopen zich onder de warme lucht op. Komt veel in de herfst
en in de winter voor.
Ionosfeer
De luchtlaag van
de atmosfeer die zich uitstrekt van ongeveer 70 tot 700 km boven het
aardoppervlak. Het is het gebied van de dampkring waarin zich
ionisatieprocessen afspelen. Het is trouwens in dit gedeelte van de
atmosfeer dat het poollicht voorkomt.
Interferentie
Het verschijnsel
dat golven uit verschillende richtingen elkaar versterken of uitdoven.
Dit komt bijvoorbeeld voor bij lichtgolven en bij golven op een
wateropppervlak
Intortus
Latijns voor:
verwrongen, verward, grillig gekromd. Een variëteit van de Cirrus
bewolking.
Iriseren
Het verschijnen
van een regenboogkleurige krans, of een gedeelte daarvan, in de wolken.
isobaar
Lijn die punten met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
Isallobaar
Lijn die punten
van gelijke luchtdrukverandering met elkaar verbindt.
isohyet
Lijn die plaatsen met een even grote neerslag met elkaar verbindt.
isotherm
Lijn die plaatsen met dezelfde temperatuur met elkaar verbindt.
Terug
naar de Index
jaargetijde
Zie seizoen.
jet-stream
Zie straalstroom.
Terug
naar de Index
keerkringen
De verst van de evenaar gelegen parallellen waar nog een loodrechte
zonnestand optreedt. De noordelijkste keerkring heet "kreeftskeerkring".
De zuidelijkste keerkring heet "steenbokskeerkring".
Kelvin
Deze geleerde ontwikkelde een temperatuurschaal, die uitgaat van de
laagst mogelijke temperatuur. Deze temperatuur (het absolute nul-punt)
noemde hij 0 gr.. Op de Kelvin-schaal smelt het ijs bij 273 gr. Verder is
de schaalverdeling gelijk aan Celsius.
klimaat
De gemiddelde situatie van het weer in een bepaalde plaats of streek
gedurende een langere periode (30 jaar). Koppen, een Duitse professor en
eerste directeur van de Duitse weerdienst, onderscheidde in verband met
hun effect op de vegetatie 5 klimaten. A tot en met E. Voor een verfijning
van de indeling voegde hij er nog letters aan toe. A-klimaten: tropische
klimaten. Altijd warmer dan 18 gr. C. Toevoegingen f: neerslag in alle
jaargetijden w: droge periode in de zomer s: droge periode in de zomer
B-klimaten: droge klimaten. Toevoegingen: S: steppe-klimaten W: woestijn-
klimaten C-klimaten: gematigde zeeklimaten.Temperaturen in koudste mnd.
tussen 18 en -3 gr. C. Toevoegingen: f: neerslag in alle jaargetijden w:
droge periode in de winter s: droge periode in de zomer D-klimaten:
gematigde landklimaten.Temperaturen in koudste mnd. lager dan -3 en in
warmste mnd. hoger dan 10 gr. C. Toevoegingen: f: neerslag in alle
jaargetijden w: droge periode in de winter s: droge periode in de zomer
E-klimaten: koude of poolklimaten.Temperaturen altijd beneden 10 gr. C.
Toevoegingen: T: toendra-klimaat. Temperaturen in warmste mnd. Tussen 10
en 0 gr. C. F: vorst-, Firn- of ijsklimaat. Temperaturen altijd onder de 0
gr. C. H: hooggebergteklimaat In de loop van de geologische geschiedenis
is het klimaat voortdurend aan verandering onderhevig geweest, denk aan de
ijstijden.
klimaatveranderingen
Door klimatologisch, geologisch, bodemkundig en diepzee onderzoek
ontdekte men dat het klimaat voortdurend veranderde. Zo heeft men ontdekt
dat er vele warme periodes geweest zijn die werden afgewisseld door
koudere. De warme periodes noemen we inter-glacialen en de koude periodes
noemen we glacialen. Het laatste glaciaal is ongeveer 10.000 jaar geleden
geeindigd. Ook zijn er vele kleine veranderingen geweest: Denk aan de
kleine ijstijd in de 17de eeuw. De oorzaken van het ontstaan van ijstijden
is zeer complex. Het staat in verband met de bewegingen van de aarde om de
zon, de stand van de aardas en de verspreiding van de continenten over de
aardbol. De kleine veranderingen in het klimaat lijken in verband te staan
met activiteiten op de zon.
klimaatzone
Gordel, die gekenmerkt wordt door en bepaald klimaat.
klimatologie
De wetenschap, die de kenmerken van het klimaat bestudeert en
verklaart.
KNMI
Koninklijk Nederlands Meteorologische Instituut. Op gericht op 31
januari 1854 en eerst gevestigd te Utrecht. In 1897 verhuisde het KNMI
naar De Bilt. De eerste hoofddirecteur van hte KNMI was Buys Ballot, die
in 1848 al begonnen was met het verzamelen van weergegevens en die ook
sterk had aangedrongen op het oprichten van het KNMI. Buys Ballot bleef
tot aan zijn dood in 1890 directeur.
Komma-wolken
Altocumulus of
Cirrocumulus met virga, door de wind gebogen.
Korrelhagel
Neerslag van
kleine troebele ijsdeeltjes (kleiner dan de gewone hagel). Ze vormen
zich bij botsing van onderkoelde waterdruppeltjes met ijskristallen.
Druppeltjes en ijskristallen bevriezen tezamen. Hun diameter is
hoogstens een 4 tot 5 millimeter. Korrelhagel is veelal bij zware buien
waar te nemen, vooral tijdens het winterhalfjaar; het gaat dan veelal
gepaard met sneeuw en >korrelsneeuw.
Korrelsneeuw
Bestaat uit
witte, ondoorzichtige, meest conisch gevormde ijsbrokjes, die op hagel
lijken. Hun diameter is slechts enkele millimeters. De bolletjes hebben
een brosse structuur. Wanneer je er op drukt vallen ze uiteen. Ze worden
het meest opgemerkt bij buien met winterse neerslag. Het is voornamelijk
een winterverschijnsel in tegenstelling tot hagel.
Koudegetal
Het koudegetal,
ook wel aangeduid als wintergetal Hellmann (H), wordt bepaald uit het
dagelijks etmaalgemiddelde van de temperatuur. Dat is het gemiddelde
over 24 uur, dat bepaald wordt uit de 24 uurlijkse temperatuurmetingen
op een dag. Alle etmaalgemiddelden beneden het vriespunt over de periode
1 november tot en met uiterlijk 31 maart worden opgeteld, zodat
uiteindelijk ÈÈn (koude)getal wordt verkregen. Daarvan wordt het
minteken weggelaten.
Koudegolf
Onder een
koudegolf wordt verstaan een aaneengesloten periode van minimaal 5
ijsdagen (maximumtemperatuur < 0°C) waarvan 3 dagen met strenge vorst
(minimumtemperatuur < -10°C).
koude pool
De plaats op aarde waar de temperatuur het laagst wordt, meestal wordt
op beide halfronden een koude pool aangewezen. Op het zuidelijk halfrond
ligt hij op Antarctica en de temperatuur bedroeg er -88,3 gr. C. Op het
noordelijkhalfrond ligt hij in Siberie bij de plaats Oimjakon en hier
bedroeg de laagste temperatuur: -67,7 gr. C.
Koudeput
Van een koude put
spreken we als er zich in de hogere luchtlagen een hoeveelheid (zeer)
koude lucht bevindt waardoor zich daar een lagedrukgebied vormt dat op
de grondkaarten niet terug te zien is. In een koude put is de lucht erg
onstabiel en daardoor ontstaan er gemakkelijk buien, die in de winter
vaak sneeuw geen. De doorsnede van een koude put is enkele honderden
kilometers.
koude woestijn
Plek op aarde waar door de lage temperaturen geen vegetatie aanwezig
is. koufront
Voorste begrenzing van een relatief koude luchtstroom. Een passage van
zo'n koufront gaat meestal gepaard met een verandering van de windrichting
en enkele buien. Zie front.
Krans
Een
regenboogkleurige of parelmoerkleurige schijf om zon of maan in
doorschijnende wolken.
kreeftskeerkring
Zie keerkringen.
Krimpen
Het veranderen van de windrichting tegen de wijzers van de klok in. Bij
ons op het noordelijk halfrond gebeurt dit bij het naderen van een
depressie.
kringloop van het water
De veranderingen in de toestand van het water zoals die op aarde
voorkomt. Het oppervlakte water verdampt. Deze waterdamp gaat condenseren,
vormt wolken en komt na verloop van tijd als neerslag weer op het
aardoppervlak terug. Valt de neerslag weer terug in zee, dan spreken we
van een "korte kringloop". Valt de neerslag op het "land", dan spreken we
over een "lange kringloop". Bij deze kringloop kan het honderden jaren
duren voor dat het water weer teug komt in zee.
Kuifwolk
Altocumulus
'uitsneeuwend', er als een kuif uitziend.
Kustfront
Een kustfront is
een front wat niet samenhangt met een lagedrukgebied, maar vormt een
begrenzing tussen twee verschillende regimes. Het is in feite de sterke
broer van het zeewindfront. Het kustfront ontstaat bij voorkeur in het
najaar, als het zeewater juist nog vrij warm is ten opzichte van de
relatief koele lucht boven land. Voorwaarden voor het ontstaan zijn:
onstabiele lucht, boven de warme zee moeten buien zich gemakkelijk
kunnen ontwikkelen, verder moet de wind niet te sterk zijn maar wel min
of meer aanlandig zijn. Extra gunstig is een windrichting die enigszins
evenwijdig langs de kust waait.
Kwikbarometer
Barometer
ontwikkeld door Torricelli. Daarbij wordt een buis met een lengte van
ca. 1 meter volledig gevuld met kwik en daarna omgekeerd in een bakje
met kwik gezet. Het kwik zakt in de buis tot op een hoogte van ongeveer
76 centimeter; boven dit kwik is het in de buis luchtledig. Deze
kwikstand komt overeen met een druk van 1013,25 hPa. Een millimeter
kwikdruk komt overeen met ongeveer 1,33 hPa. Een nadeel van een
kwikbarometer is dat deze temperatuursafhankelijk is (het kwik zet
namelijk uit bij stijgende temperatuur. Daarom is het nodig de afgelezen
barometerstand om te rekenen.
Terug
naar de Index
- Lacunosus
-
- Vol gaten.
lage drukgebied
Gebied van lage luchtdruk. De lucht beweegt in een grote wervel om het
centrum. De vorming van kou en warmtefronten. Wolkenvorming treedt op.
Belangrijkste weersverschijnselen: wind (storm), neerslag. Kenmerkend bij
westelijke circulaties.
-
La Niña
-
- Indien het
water in het oostelijk deel van de Pacific niet warm maar juist
relatief koud is, spreken we van een La Niña (klein-meisje)-situatie.
Voor de kust van Zuid-Amerika gebeuren dan geen schokkende dingen:
het is er, zoals gebruikelijk, droog en de visvangst voor de kust
van Peru is uitstekend. Op wereldschaal heeft een La Niña wel enige
invloed. Klimatologen hebben voor La Niña-situaties voor
verschillende gebieden een overeenkomst met bepaalde
weergebeurtenissen vastgesteld. Zo is het in een La Niña-situatie in
de winter nat en koel in het zuidoosten van Afrika. Bij een La Niña
in onze zomer is het koel in heel Zuidoost-Azië, maar juist warm in
het noordoosten van Australië. Zowel bij een El Niño als bij een La
Niña zijn de invloeden op het Nederlandse weer zeer gering.
landijs
IJsmassa, die grote aaneengesloten delen van een vaste land bedekt.
Komen voor in de ijstijden en nu nog op Antarctica en Groenland, enkele
Canadese eilanden, Spitsbergen en nova Zembla. De dikte bedraagt soms
ongeveer 3 tot 4 km. In de geologische geschiedenis kwamen periodes voor
waarin bijna geen sprake was van landijs bedekking terwijl er ook periodes
waren waarin het landijs zich sterk uitgebreid had: de ijstijden. Zie
glaciaal.
landklimaat
Klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur lager is dan -3 gr. C. in de
winter en in de zomer is de temperatuur hoger dan 10 gr. C. Het verschil
tussen de warmste en koudste maand bedraagt meer dan 20 gr. C. Ze komen
bijna alleen op het noordelijk halfrond voor. Zie klimaat.
landwind
De aflandige wind, die meestal 's nachts waait bij rustig helder weer.
Ze dankt haar ontstaan aan de uitstraling 's nacht boven land. De nog
warme zee zorgt daar voor een stijging van de lucht, die vanaf land wordt
aangevuld.
-
-
- Lenswolk
-
- In vaktermen
ook wel altocumulus lenticularis genoemd. De lenswolk dankt zijn
ontstaan aan de bergruggen waarboven hij hangt. Staat er dwars op de
bergrug een stevige stroming, dan wordt de lucht wanneer ze de berg
bereikt gedwongen omhoog te gaan en weer te dalen aan de achterzijde
van de berg. Die gedwongen stijging plant zich voort tot hoog boven
het bergniveau. Luchtlagen hoger in de atmosfeer raken tijdens dat
stijgproces soms plotseling verzadigd met waterdamp; er vormt zich
bewolking. Daalt de lucht verderop, dan raakt de lucht weer
onverzadigd en lost de bewoking op. Een lenswolk blijft daarom
permanent boven dezelfde plaats aanwezig, terwijl de lucht gewoon
verder stroomt. Vorming van lenswolken kan duiden op snelle
stromingen in de hogere luchtlagen of plotselinge toename van
windsnelheid boven een bepaald niveau. Lenswolken zijn prachtig om
te zien maar zijn een gevaar voor ballonvaarders in verband met de
plotseling optredende 'snelle' luchtlagen.
-
- Lente
-
- EÈn van de 4
seizoenen. De astronomische lente start op het moment dat de zon
recht boven de evenaar staat. Veel mensen denken dat de lente op 21
maart begint, maar dat is nog maar zelden het geval. De lente begint
deze eeuw alleen in 2007 en in 2011 op 21 maart, voor de rest op de
20e maart en vanaf 2048 komt 19 maart ook regelmatig in de tabellen
voor. De weerkundige lente omvat de maanden maart, april en mei. Zie
ook onder seizoenen.
-
-
Lenticularis
-
- Linze-,
lens-, amandel-, sigaarvormig.
-
- Lichte
vorst
-
- Er is sprake
van lichte vorst indien de minimumtemperatuur ligt tussen de 0 en de
-5°C.
-
- Lidar
-
- Dit is een
instrument dat men gebruikt voor de waarneming van wolken. De lidar
zendt stralen uit naar boven en wanneer die worden teruggekaatst,
zijn er wolken aanwezig. De tijd tussen verzenden en terugkomst
bepaalt de hoogte van de wolken. Een lidar lijkt dus op een
regenradar.
-
- Lijzijde
-
- Zijde 'onder'
de wind ('uit' de wind), luwtezijde.
-
- Loefzijde
-
- Zijde 'boven'
de wind ('in' de wind), windzijde.
luchtdruk
Geeft de druk van de atmosfeer (gewicht van de luchtkolom) op een
bepaalde plaats op het aardoppervlak. Wordt gemeten op zeeniveau in
millibar of millimeters kwikdruk (de gemiddelde luchtdruk op zeeniveau is
1013,2 mbar of 760 mm kwikdruk). De luchtdruk neemt met toenemende hoogte
af. De luchtdrukverdeling over een bepaald gebied is een wezenlijk
aanknopingspunt voor de beoordeling van een weersontwikkeling.
luchtsoort
Grote hoeveelheid lucht met ongeveer dezelfde eigenschappen. Men
onderscheidt verschillende luchtsoorten naar hun brongebied. Bijv..
equatoriale lucht: lucht uit tropische streken. Tropische lucht: uit
streken tussen 20 en 30 gr. Breedte. polaire lucht: afkomstig tuit
gebieden tussen 50 en 70 gr. Breedte. arctische lucht: afkomstig uit de
poolstreken. Een ander onderscheid: continentale lucht: droog maritieme
lucht: vochtig.
luchtverontreiniging
Het in de lucht voorkomen van stoffen die daar van nature niet in thuis
horen of in mindere mate er in thuis horen. De luchtverontreiniging kan
het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken: vulkaanuitbarsting of menselijke
oorzaken: het lozen van afval- of uitlaatgassen in de atmosfeer. Wij lozen
momenteel zoveel stoffen in de atmosfeer, dat er grote veranderingen
kunnen optreden in het weer en in het klimaat.
luchtvochtigheid
De hoeveelheid vocht die zich in de atmosfeer bevindt. We
onderscheiden: 1. Absolute luchtvochtigheid. De hoeveelheid vocht die 1
kub.meter lucht van een bepaalde temperatuur op een bepaald moment bevat.
2. Relatieve luchtvochtigheid. De verhouding in % uitgedrukt tussen de
absolute luchtvochtigheid en de verzadigingsvochtigheid (de bij een
bepaalde temperatuur maximaal mogelijke).
-
-
- Luchtmassa
-
- Een grote
hoeveelheid lucht met min of meer dezelfde eigenschappen wat betreft
temperatuur en vochtigheid.
-
- Luchtsoort
-
- Een
luchtmassa met specifieke eigenschappen.
Terug
naar de Index
Mammatus
- Aan de
onderzijde van een buienwolk is soms een bijzondere vorm te zien die
mammatus genoemd wordt. Het zijn als het ware vrouwenborstachtige
uitstulpingen die ontstaan door dalende en stijgende turbulente
bewegingen. Meestal zijn ze beter te zien aan de achterzijde van de
buienwolk.
-
- Matige
vorst
-
- Er is sprake
van matige vorst indien de minimumtemperatuur tussen de -5°C en de
-10°C ligt.
-
-
Maximumthermometer
-
- Thermometer
die gebruikt wordt voor het meten van de hoogste temperatuur
gedurende een bepaalde periode. De professionele versies werken op
hetzelfde principe als dat van een koortsthermometer waarbij in de
buis een vernauwing is aangebracht die, wanneer de temperatuur terug
zakt, de kwikkolom doet onderbreken. Een ander, courant in de winkel
verkrijgbaar type is een combinatie van een minimum- en
maximumthermometer, de zgn. thermometer van Six.
-
-
Mediocris
-
- In
vertikale richting middelmatig ontwikkelde Cumulus bewolking.
-
Mediterraan klimaat
Een gematigd zeeklimaat, gekenmerkt door hete, droge zomer en zachte
vochtige winters. Door de grote droogte is de vegetatie karakteristiek:
dikke vetachtige bladeren om een te grote verdamping tegen te gaan. De
begroeiing bestaat o.a. uit altijd groene loofbomen, vijgen, olijven en
kurkeiken, maar ook naaldbomen. De landbouw is 's zomers vrijwel alleen
mogelijk met behulp van irrigatie. Zie klimaat.
Mesopauze
- De bovenste
begrenzing van de mesosfeer op een hoogte van ca. 85 km. Daar worden
de laagste temperaturen van de atmosfeer gemeten die kunnen dalen
tot 80 á100°C beneden het vriespunt. Boven de mesopauze begint de
thermosfeer.
-
- Mesoscale
Convective Complex (MCC)
-
- Een
mesoscale convective complex is de naam voor een groot gebied
met onweer, dat het vaakst in de loop van de nacht ontstaat. Droge
lucht zal sneller afkoelen dan vochtige lucht. In de loop van de
avond en de nacht kunnen daardoor op het grensvlak tussen droge en
vochtige lucht forse temperatuurverschillen ontstaan. Wanneer er een
stroming os vanuit de vochtige luchtmassa in de richting van de
droge lucht, zal de vochtige lucht gedwongen worden te stijgen.
Wanneer die vochtige lucht ook nog een goed warm is, kan een groot
gebied met onweer ontstaan. Dit gebeurt vaak in de Verenigde Staten,
waar MCC's grote regenbrengers zijn in de agrarissche gebieden, maar
soms ook in Europa. Een MCC kan zo groot worden als de hele Benelux.
-
- Mesosfeer
-
- Luchtlaag van
de atmosfeer die zich boven de stratopauze uitstrekt (tussen 40 en
80 km hoogte). Aan de stratopauze bedraagt de temperatuur nog
gemiddeld zo'n 30 á 50°C; naarmate men hoger gaat daalt deze
temperatuur tot aan de mesopauze.
-
-
Meteoor
-
- Brokstuk
of stofdeeltje uit de wereldruimte dat de aardbaan kruist. Bij
binnendringen wordt dit door de wrijvingswarmte verhit, zodat
een opgloeiend spoor is te zien ("vallende ster"). De meeste
meteoren verbranden geheel in de dampkring Van grotere
exemplaren kan een restant op aarde neerkomen. Dat restant
noemen we dan een meteoriet.
-
-
Meteorograaf
-
- Toestel
dat de combinatie is van een thermo-, hygro- en barograaf en
zodoende de temperatuur, relatieve luchtvochtigheid en luchtdruk
continu registreert.
Meteorologie
Wetenschap die het weer en de weersverschijnselen bestudeert en
pogingen doet het weer te voorspellen. "Meteorologica", naam van een boek
dat geschreven werd door de Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v.Chr..)
Dit boek zou bijna 2000 jaar het enige leerboek over de meteorologie
blijven. In de 17de eeuw verschenen er voor het eerst weer nieuwe boeken
over de weerkunde.
-
Microklimaat
-
- Een zeer
lokaal klimaat dat verschilt met het omringende klimaat
(bijvoorbeeld een stadsklimaat)
-
Middellandse Zeeklimaat
Zie Mediterraan klimaat en klimaat.
Midden Europese
Tijd MET
- Dit is de
Universal Time + 1 uur. De normale tijd (wintertijd) in Nederland
behoort hier toe.
-
- Midden
Europese Zomer Tijd MEZT
-
- Dit is de
Universal Time + 2 uur. De zomertijd in Nederland behoort hier toe.
-
millibar
Een millibar (mbar) is een eenheid om de luchtdruk aan te geven. Een
millibar is de kracht van 100 Newton per vierkante meter. Een luchtdruk
van 1000 millibar is gelijk aan het gewicht van een luchtkolom van 750 mm
kwikdruk op zeeniveau bij 0 gr. C. en op 45 gr. van de evenaar. De normale
kwikdruk van 760 mm is dus 1013,2 mbar.
-
Minimumthermometer
-
- Thermometer
die gebruikt wordt voor het meten van de laagste temperatuur.
mist
Een laag uiterst fijne waterdruppeltjes, die het horizontale zicht tot
minder dan 1 km beperken. Wanneer ze slechts tot 2 m boven de grond reikt
spreken we van grondmist. Mist ontstaat door afkoeling van de lucht,
bijv.. bij uitstraling.
- Mistbanken
-
- Mistgebieden
met geringe vertikale en horizontale afmetingen, meestal met zeer
dichte mist.
-
- Mistdag
-
- Een mistdag
is een dag waarop voorwerpen op 2 meter hoogte en 1 km afstand niet
meer te herkennen zijn als gevolg van in de lucht zwevende
waterdruppeltjes of ijskristallen.
-
Mistral
Relatief koude en droge valwind van uit de Alpen door het Rhonedal
waaiende wind.
moesson
Een wind die een halfjaar lang uit een bepaalde richting waait. Het kan
een zeewind of een landwind zijn. De moesson ontstaan doordat de inter
tropische convergentiezone zich niet altijd boven de evenaar bevindt, maar
nu eens ten zuiden, dan weer ten noorden ervan ligt. De wind moet om het
ITCZ te bereiken de evenaar passeren en draait dan ongeveer 120 gr. van
richting.
- Mooiweer
wolk
-
- Cumulus
humilis, een wolkensoort die meestal optreed bij standvastig, mooi
weer.
-
morgenrood
De opvallende rode kleur die aan de oostelijke hemel vaak te zien is
bij zonsopgang. Ze is te danken aan het feit, dat de violette, blauwe en
groene stralen van het zonlicht, als ze een lange weg door de atmosfeer
moeten afleggen, sterk worden verstrooid. De verstrooiing zien we vooral
wanneer in de lucht veel stof of waterdamp voorkomt, dus kans op regen.
motregen
Neerslag van waterdruppeltjes, die over het algemeen niet groter zijn
dan 0,5 mm. Ze ontstaan door het zich samenvoegen van mistdeeltjes.
- Motsneeuw
-
- Bestaat uit
zeer kleine ijsdeeltjes, een soort korreltjes met een doorsnede van
1 mm.
Terug
naar de Index
-
Nachteffect
-
- Een
meteorologisch effect dat optreedt in de nanacht. Bij een bepaalde
luchtopbouw kan er op grotere hoogte door uitstraling boven een
wolkenlaag in de nanacht onstabilitiet ontstaan. Dit veroorzaakt op
zijn beurt buitjes en /of castelanusbewolking.
-
nachtvorst
Door nachtelijke uitstraling veroorzaakte, aan de aardoppervlakte
optredende vorst, die overdag spoedig weer verdwijnt. Nachtvorst treedt
vaak op bij helder weer en boven droge grond. In dalen wordt de laag met
nachtvorst het dikst, omdat de koude lucht de hellingen afzakt.
-
-
Najaarseffect
- Een vaak
terugkerende meteorologische situatie ten gevolge van het verschil
in temperatuur tussen de warmere zee en het koudere land. Dit zal
vooral in de kustprovincies in de nazomer en herfst bij bepaalde
weerpatronen optreden.
-
- NAO index
- Het verschil
in luchtdruk tussen IJsland en de Azoren.
-
- Natte bol
temperatuur
-
- Thermometer
met nat reservoir; het kwikreservoir van de thermometer is met een
zijden kousje omgeven, dat nat wordt gehouden. De langsstromende
lucht doet het water verdampen. Dit geschiedt ten koste van de
warmte van het kwikreservoir, dat derhalve een lagere temperatuur
zal aanwijzen dan de 'droge bol'. Uit het verschil kan men de
luchtvochtigheid bepalen. Bij relatieve vochtigheid van minder dan
100% zal deze temperatuur altijd lager zijn dan de gewone
luchttemperatuur door verdamping. Zie ook psychrometer.
-
- N.B.
-
-
Noorderbreedte; coördinaat voor plaatsbepaling in de zuid-noord
richting op het noordelijk halfrond.
-
- Nebulosis
-
- Nevelig,
sluierachtig, nevelslierten.
-
- neerslag
De verontreinigingen en waterdeeltjes in de atmosfeer, die zich in vast
of vloeibare vorm naar de aardoppervlakte bewegen, dan wel zich daarop
neerslaan of op voorwerpen afzetten. Nuttige neerslag: neerslag die
werkelijk gebruikt kan worden: neerslag min verdamping.
.
-
Neerslagelement
-
- Regendruppel,
sneeuwvlok of hagelsteen.
-
- Nevel
-
- Vermindering
van het zicht door minuscule waterdruppeltjes in de atmosfeer. Men
spreekt van nevel wanneer het zicht tussen de 1 en 2 kilometer
bedraagt. Bij minder dan 1 kilometer zicht spreekt men van mist.
-
-
Nimbostratus (Ns)
-
- Behoort tot
de familie van de middelbare bewolking. Laagvormige regenwolk. Een
grijze hemel met continue regen is meestal wat een nimbostratuswolk
ons te bieden heeft. Dit type is veelal kenmerkend voor een
warmtefront.
-
- Nimbus
-
- Regenwolk.
-
-
Noord-Atlantische Oscillatie (NAO)
-
- Een sterk
westelijke stroming in de hogere luchtlagen als gevolg van een groot
drukverschil tussen IJsland en de Azoren. Zie ook NAO index.
-
-
Noorderlicht
-
-
Lichtverschijnsel in de poolstreken, opgewekt door van de zon
afkomstige snelle electrisch geladen deeltjes (electronen), die de
aardse dampkring binnendringen. Zie ook poollicht.
-
- Noord
Atlantische Oscillatie
-
- De Noord
Atlantische Oscillatie (NAO) is een maat voor het verschil in
luchtdruk tussen de oceaan ter hoogte van de Azoren en de streek
rondom IJsland. Bij een positieve NAO is de druk bij IJsland lager
en bij de Azoren hoger dan gemiddeld. Grote delen van Eurropa, Azië
en Noord-Amerika zijn dan door sterke westenwinden zacht. Maar in
het noordoosten van Canada heersen dan koude noordenwinden.
-
- Nor'easter
-
- Een
sneeuwstorm die ontstaat doordat vochtige warme lucht uit de Golf
van Mexico en de Atlantische oceaan in botsing komt met arctische
lucht uit Canada.
Meestal gaat deze met veel sneeuw en harde wind gepaard.
-
- Nor'wester
-
- Lokale wind
aan de oostelijke kusten van het zuidelijke eiland van
Nieuw-Zeeland, South Island. De wind waait uit het noordwesten. Het
is een warme valwind met duidelijke föhneigenschappen.
nachtvorst
Door nachtelijke uitstraling veroorzaakte, aan de aardoppervlakte
optredende vorst, die overdag spoedig weer verdwijnt. Nachtvorst treedt
vaak op bij helder weer en boven droge grond. In dalen wordt de laag met
nachtvorst het dikst, omdat de koude lucht de hellingen afzakt.
Terug
naar de Index
occlusie
Het optillen van de warme sector in een depressie, door bij het
aardoppervlak aanwezige koudere lucht. De koude lucht voor het warmte
front wordt dan vervangen door de koude lucht die zich achter het
warmtefront bevond.
-
Occlusiefront
-
- Wanneer
het aan een lagedrukgebied verbonden koufront het warmtefront
heeft ingehaald, spreekt men van een geoccludeerd front of
occlusiefront.
onderkoeling
Het afkoelen van een vloeistof tot beneden het vriespunt ervan, zonder
dat haar aggregatietoestand verandert. Dit komt voor als er weinig
bevriezingskernen in de lucht aanwezig zijn. Een onderkoelde vloeistof die
in beweging gebracht en van bevriezingskernen voorzien wordt, zal snel
bevriezen. De onderkoelde regen, die het aardoppervlak bereikt zal snel
bevriezen. Deze bevroren regen noemen we ijzel.
-
Onstabiel
-
- Niet
stabiel, labiel, veranderlijk. Meteorologisch: de
'toestandskromme' is zodanig dat een luchtdeeltje, dat naar
boven of beneden verplaatst wordt, verder zal stijgen, resp.
dalen.
-
-
Onstabiliteit
-
- Een
luchtmassa waarvan de temperatuur snel daalt met de hoogte. De
daling moet zo sterk zijn dat ze groter of gelijk is aan de
temperatuurdaling die optreedt bij het stijgen van
thermiekbellen. In droge lucht bedraagt de temperatuurdaling 1
°C per 100 meter.
onweer
Elektrische verschijnselen, gekenmerkt door bliksem en donder. Onweer
is het gevolg van de grote elektrische spanningen, die bij sterke
opstijgende luchtbewegingen en zware neersla optreden. Hierdoor komt er
vaak onweer voor bij sterke verwarming van het aardoppervlak en of
stijging van de lucht tegen frontvlakken.
-
Onweersdag
-
- Een
onweersdag is een dag waarop minstens één donderslag is gehoord
(weerlicht alleen is dus geen onweersdag).
-
-
Oostcirculatie
-
-
Luchtcirculatie waarbij de wind over grote delen in Europa
oostelijk is als gevolg van een hogedrukgebied boven Scandinavië
of NW-Rusland. Dat kan koud winterweer of hete, droge zomers
veroorzaken.
-
- Opacus
-
- Donker,
beschaduwd.
-
opdooi
Het ontdooien van het bovenste laagje van een bevroren grond. Als de
rest van de grond bevroren blijft kan het smeltwater niet wegzakken en
ontstaat er een modderige laag. Het kan soms zo erg worden dat de grond
onstabiel wordt en men wegen moet afsluiten.
opvriezen
Het na dooi weer bevriezen van het aardoppervlak. Dit kan ook optreden
als de temperatuur op waarnemingshoogte boven nul blijft.
orkaan
Storm met windkracht 12 volgens de schaal van Beaufort.
-
Orografische regens
-
- Dit zijn
stijgingsregens. Doordat vochtige lucht aan een bergflank wordt
gedwongen om op te stijgen, gaat deze afkoelen. Wanneer het
verzadigingspunt (dauwpunt) wordt bereikt, komt wolkenvorming op
gang en kan het regenen.
-
overgangsklimaat
Klimaat met een jaarlijks verschil tussen de temperaturen van de
warmste en de koudste maand tussen de 15 en 20 gr. C. Dit klimaat komt
voor op middelbare breedten.
ozonlaag
Een gas dat van nature voorkomt in de atmosfeer. We onderscheiden 2
soorten: 1. De ozon in de troposfeer. (tot 12 km). Deze laag ontstaat bij
mooi weer door vervuiling door industrie en verkeer. Er is dan sprake van
smog. 2. De ozon in de stratosfeer.(tussen 12 en 50 km). Deze laag houdt
de ultraviolette straling van de zon tegen. CFK's gebruikt in de industrie
breken deze laag af en zorgen voor het bekende gat in de ozonlaag boven de
polen.
Terug
naar de Index
Paardebreedten
-
Paddestoelwolk
-
- Wolk, die
zich aanvankelijk vertikaal ontwikkelt, doch zich later
horizontaal uitbreidt (tegen een inversie).
-
- Pannus
-
- Rafels,
flarden. Meteorologisch: aanduiding voor slecht weer wolk.
-
- Parels
van Baily
-
- Bij een
zonsverduistering de laatste (of na de totaliteit de eerste)
lichtstralen die door de maandalen schijnen, ook wel Baily's
Beads genoemd. Bij de laatste lichtstraal is de corona al te
zien en we spreken dan wel van de diamantring.
passaat
De voortdurende (meestal het hele jaar) wind die vanuit de subtropische
hogedrukgebieden in de richting van de inter tropische convergentiezone
waait. De passaat is vaak een zeewind.
periglaciaal
-
Perigeum
-
- Punt op
de ellipsvormige maanbaan waar de maan het dichtst bij de aarde
staat (356.400 km).
-
-
Perihelium
-
- Punt op
de ellipsvormige aardbaan waar de aarde het dichtst bij de zon
staat (147 miljoen km).
-
-
Persistente contrail
-
- Een
contrail (vliegtuigcondensatiestreep) die langer dan 10 minuten
zichtbaar blijft. De persistentie is voornamelijk afhankelijk
van de vochtigheid van de omgevingslucht en de windsnelheid. Is
de lucht bij aanvang erg vochtig dan zal de contrail minder snel
oplossen. Een luchttemperatuur van tussen de -50°C en -60°C en
een relatieve vochtigheid van tenminste 80% zijn ideale
omstandigheden voor de vorming van persistente contrails. Bij
-45°C tot -50°C zijn de contrails vaak zwak en kort persistent.
permafrost
Permanent bevroren ondergrond. Als in het voorjaar hiervan het bovenste
deel ontdooit, vormt zich een natte, onstabiele laag modder. De zuidgrens
van de gedeeltelijk uit de ijstijden stammende bevriezing ligt in Eurazie
tussen de 75 en 54 gr. NB. Ze ligt dus hier en daar zelfs zuidelijker dan
Nederland.
- Pileus
-
- (spreek
uit: piléjus) -hoed, kapje. Meteorologisch: Altocumulus bankje,
meestal boven een Cumuluscongestus en Cumulonimbus calvus en
ontstaan door optilling van een hoeveelheid met waterdamp
verzadigde lucht.
pingo
Een heuvel die ontstaat bij oppersing van de grond door een zich in de
grond bevindende en zich uitdijende ijslens.
-
-
Pluviograaf
-
-
Automatisch registrerende pluviometer.
-
-
Pluviometer
-
- Toestel
om de neerslaghoeveelheid te bepalen. Een pluviometer bestaat
meestal uit een trechter met een gekende oppervlakte en iets om
de opgevangen neerslag te verzamelen (in zijn eenvoudigste vorm
een fles). Door de opgevangen hoeveelheid water te meten en te
delen door de oppervlakte van de trechter bekomt men de
neerslaghoeveelheid in liter per vierkante meter of millimeter.
-
polaire lucht
Luchtsoort die op hoge breedte gevormd wordt en uit noordelijke streken
afkomstig is. De komst van polaire lucht leidt vaak tot het ontstaan van
buien. Zie luchtsoort.
- Polar
Low
-
- Een
kleine maar intense depressie die zich ontwikkeld nabij de rand
van het vaste ijs in het noordpoolgebied (ten westen van
Noorwegen) en met een noordelijke luchtstroming naar het zuiden
trekt. Ze kenmerken zich door een zeer koude bovenlucht.
-
-
Poolbanden
-
- Cirrus
banden die, parallellopend, de indruk wekken in één punt samen
te komen (convergeren) vanwege het perspectief. Vaak een
'straalstroom'-verschijnsel.
poolcirkel
De breedtecirkels op 66,5 gr. afstand van de evenaar. De langste dag en
de langste nacht duurt hier 24 uur, ofwel de zon gaat hier een keer niet
onder en een keer niet op. We onderscheiden: 1. De wiskundige poolcirkel:
op 66,5 gr. NB/ZB. 2. De klimatologische poolcirkel: isotherm van 10 gr.
C. van de warmste maand.
poollicht
Lichtverschijnselen aan de hemel waarneembaar, die vooral in de
poolstreken te zien zijn. De door de zon uitgezonden geladen deeltjes
bereiken de aardse atmosfeer en zorgen voor deze verschijnselen. Ze worden
namelijk aar de magnetische polen afgebogen en lichten de atmosferische
gassen op.
poolnacht
De periode in de poolstreken dat de zon niet boven de horizon
vers |