Geschreven door Jaap-Jan
Schavemaker uit Assendelft.
Het
‘lezen’ van weerkaarten op de wetterzentrale.
Op de site
www.wetterzentrale.de zijnheel veel gegevens betreffende het weer te vinden en ook
de kaarten opgesteld door de verschillende weermodellen. Als u
naar deze pagina gaat ziet u linksboven een tabel staan met
allerlei afkortingen. Dit zijn de verschillende weermodellen. De
meest gebruikte weermodellen zijn GFS, ECMWF en UKMO. GFS is een
Amerikaans weermodel, UKMO het Britse en ECMWF is een Europees
samenwerkingsproject. Deze weermodellen produceren iedere dag
één of meerdere series weerkaarten. Deze verschijnen met een
paar uur vertraging op internet. De kaarten van ECMWF
verschijnen tussen 0:00 en 01:00 uur, die van UKMO rond 07:00 en
19:00 uur en die van GFS rond 05:00, 11:00, 17:00 en 23:00 uur
(tijden gebaseerd op wintertijd). Een serie weerkaarten wordt
ook wel een run genoemd. Deze kaarten worden berekend uit
gegevens die vanaf meetpunten van over de hele wereld zijn
verkregen (onder andere door het oplaten van weerballonnen).
UKMO geeft alleen de gronddruk weer, ECMWF de gronddruk en de
druk op grotere hoogte en GFS berekent allerlei variabelen. Ik
wil benadrukken dat de kaarten slechts een verwachting
weergeven. De kans dat een kaart die een situatie voor 10 dagen
vooruit ook daadwerkelijk ‘uitkomt’ is dan ook vrij klein, hij
kan echter wel een trend aangeven (naar warmer, kouder, droger
of juist natter weer).
De
weerkaarten vindt u onder de knop topkarten aan de
linkerkant van de hoofdpagina. Als u deze knop indrukt komt u in
het onderstaande menu. Hier kunt u kiezen voor de kaarten van
verschillende weermodellen, zoals GFS, UKMO en ECMWF.
Als u voor
het GFS model heeft gekozen komt u in het onderstaande menu. Aan
de linkerzijde ziet u in zwarte letters de verschillende soorten
kaarten die GFS berekent. Rechts van deze termen staan in groene
letters allerlei getallen. Deze getallen staan voor een aantal
uren. Als u in het rijtje Niederslschag het getal 102
aanklikt krijgt u de neerslagkaart voor 102 uur vooruit te zien
(dat is dus ruim 4 dagen vooruit!). In deze tabel zijn de
kaarten voor de luchtdruksituatie van dat moment (Analyse)
tot 180 uur vooruit te vinden. Helemaal rechts bovenaan staat
Stunde 192 – 385. Als u hierop klikt vindt u kaarten van
vier variabelen die tot 384 uur vooruit zijn berekend. Deze
kaarten worden ook wel ‘glazenbolkaarten’ genoemd omdat de
waarde ervan niet al te groot is; meestal zijn de kaarten in de
volgende serie of run weer compleet anders. Ze kunnen echter
soms wel een bepaalde trend aangeven en zijn dus toch de moeite
van het bekijken waard. Trek er desondanks geen al te zware
conclusies uit met betrekking tot bijvoorbeeld een op handen
zijnde vorstperiode. Een weersverwachting voor meer dan vijf
dagen vooruit maken is over het algemeen al heel lastig. Er valt
vaak hoogstens een trend aan te geven.
Hieronder
volgt een uitleg voor de belangrijkste GFS-kaarten. ECMWF en
UKMO berekenen respectievelijk alleen de gronddruk en de grond-
en bovenluchtdruk. De uitleg van de GFS-kaarten van deze
variabelen geldt ook bij de kaarten van deze twee en de andere
weermodellen. Voor de behandeling van een bepaalde kaart is
steeds een nieuwe pagina genomen.
De
gronddrukkaarten
De
belangrijkste weerkaart is de kaart waarop de luchtdruk op
zeeniveau wordt aangegeven. Voordat ik begin met mijn uitleg
over deze kaart eerst even dit; het is heel belangrijk om te
weten hoe oud een weerkaart is en voor welk tijdstip deze geldig
is. Linksboven de kaart staan de datum en het tijdstip vermeld
waarop de gegevens waarop de kaart is gebaseerd zijn ingevoerd
in de computer. Rechtsboven staan de datum en het tijdstip
waarvoor de weergave op de kaart geldt. De tijden zijn
gestandaardiseerd op de Greenwhich-time (UTC). Dat wil zeggen
dat een kaart die de situatie om 12:00 uur weergeeft voor
Nederland de situatie om 13:00 uur weergeeft. U moet bij de
boven de kaarten vermelde tijdstippen dus altijd een uur
optellen. Dit is vooral belangrijk bij bijvoorbeeld de
neerslagverwachting.
De meest
gangbare weerkaart is die waarop de luchtdruk op zeeniveau wordt
weergegeven (zie het voorbeeld hieronder). Op deze kaart zijn de
posities van de verschillende hoge- en lagedrukgebieden te zien.
Gebieden met gelijke luchtdruk worden verbonden doormiddel van
lijnen, de zogenaamde isobaren. Bij deze isobaren wordt een
getal vermeld. Dit getal staat voor de luchtdruk die deze lijn
aangeeft. Op de onderstaande kaart ligt Nederland grofweg tussen
de lijnen die 1000 en 1005 hectopascal aangeven. De luchtdruk
die in Nederland wordt gemeten zal zich dus tussen deze twee
waarden bevinden.
Het
belangrijkste weersysteem op de onderstaande kaart van Europa is
een groot lagedrukgebied met de kern boven de Noordzee ten
noorden van Schotland. Om een lagedrukgebied waait de wind tegen
de klok in en om een hogedrukgebied juist met de klok mee.
Nederland heeft op de onderstaande kaart te maken met een
zuidwestelijke wind. De afstand tussen de verschillende isobaren
bepaald de hoeveelheid wind die op een gegeven plaats staat; des
te kleiner de afstand tussen de isobaren, des te meer wind. In
het onderstaande geval stormt het dus tussen Groenland en
noordelijk Noorwegen, waait het behoorlijk in Nederland en waait
het nauwelijks in midden-Italië. Een opmerking is wel
noodzakelijk; boven land wordt de stroming door wrijving
behoorlijk afgeremd en zal het dus minder hard waaien dan aan/op
zee, ook al liggen de isobaren even dicht bij elkaar.
Over het
algemeen is het zo dat lagedrukgebieden voor slecht weer en
hogedrukgebieden voor mooi weer zorgen. Zo zorgt een
hogedrukgebied ten noordoosten van Nederland ’s (Scandinavië)
zomers voor relatief warm zomerweer met oostenwinden en ’s
winters voor mooi, maar veelal koud, winterweer met ook nu weer
oostenwinden. Bevindt het hogedrukgebied zich ten zuiden van
Nederland en bevindt er zich een lagedrukgebied of depressie ten
noordwesten van Nederland dan hebben we vaak te maken met
typisch Nederlands weer; zuidwestenwinden, af en toe regen en
veelal bewolkt. Hogedrukgebieden brengen niet altijd mooi weer;
als ze bijvoorbeeld boven de Britse eilanden blijven ‘plakken’
voeren ze vaak met een noordwestelijke stroming wolkenvelden
aan. Dit kan, vooral in de vroege lente, late herfst en winter
(als de zon weinig kracht heeft en de wolken niet kan oplossen),
dagenlang grijs en miezerig weer veroorzaken.
Hogedrukgebieden brengen dus niet altijd mooi weer. Een
lagedrukgebied dat zich in de buurt van Nederland bevindt hoeft
ook niet altijd slecht weer op te leveren. Het zijn vaak de
storingen of fronten die bepalen of ons veel wolken of regen ten
deel vallen. Deze storingen ontstaan op de grenzen van
verschillende luchtsoorten. Een warmtefront markeert de grens
tussen koele lucht voor en warme lucht achter het front. Bij een
koufront is dit, u raadt het al, precies andersom. Misschien dat
u ook de term occlusiefront kent. In zo’n geval wordt het
warmtefront ingehaald door het sneller voortbewegende koufront.
De lucht achter een occlusiefront is warmer of kouder dan die
ervoor, dat hangt ervan af welk front er ‘sterker’ was. Op de
onderstaande kaart die op de site van het KNMI is te vinden
staan de verschillende fronten weergegeven. De blauwe lijnen
(met de driekoekjes) zijn koufronten, de rode (met de halve
bolletjes) warmtefronten en de paarse (met driehoekjes en halve
bolletjes) occlusiefronten. Achter een storing komen in
onstabiele lucht ook vaak buien voor, deze kunnen zich ook
groeperingen, dan is er sprake van een buienstoring (de donkere
blauwe lijnen op de onderstaande kaart).
In de
nabijheid van fronten is er vaak sprake van een draaiing en een
toename van de wind. Op de bovenstaande kaart is dit te zien aan
de uitstulpingen in de isobaren in de buurt van storingen. Een
front dat zich in de buurt van of in een sterk hogedrukgebied
bevindt is vaak uitermate verzwakt en heeft soms enkel wat
wolkenvelden tot gevolg. Dichtbij een depressiekern kan een
front echter ook behoorlijk wat regen en wind veroorzaken. Op de
gronddrukkaarten van GFS staan deze fronten vrij slecht
ingetekend. Ze zijn echter op de wetterzentrale wel te vinden.
Ga dan eerst naar topkarten, kies dan linksboven voor
FAX en daarna voor Bracknell.
De 850 hpa
kaart
Deze
kaart geeft de hoogte in de atmosfeer weer waarop de luchtdruk
850 hectopascal (hpa) bedraagt. Des te hoger de grens met de 850
hpa ligt des te hoger de luchtdruk. De hoogte wordt weergegeven
in decameters. Een 850 hpa waarde van 136 betekent dat de
luchtdruk op 1360 meter hoogte 850 hpa bedraagt. Aan deze
kaarten is onder andere te zien hoe goed de weersystemen zijn
ontwikkeld en wat de windrichting op grotere hoogte is. Als een
hogedrukgebied op de gronddrukkaart behoorlijk sterk is, maar op
de 860 hpa kaart nauwelijks terug te vinden is betekent dit vaak
dat het hoog niet standvastig is en vaak snel wegtrekt, er is
dan sprake van een trekhoog of een rug van hogedruk.
Naast de
isobaren (eigenlijk op de 850 hpa kaart isohypsen genoemd) zijn
op deze kaart de temperaturen op de 850 hpa hoogte weergegeven
doormiddel van kleuren en lijnen, dit wordt ook wel de
bovenluchttemperatuur genoemd. Deze temperaturen zijn veel lager
dan de temperaturen die aan de grond worden gemeten. In de
winter moet u grof weg 8 a 10 en in de zomer rond de 15 graden
bij de bovenluchttemperaturen optellen om de maximum-temperatuur
aan de grond te benaderen. Onder bepaalde omstandigheden gaat
deze regel echter niet op, bijvoorbeeld bij helder winterweer na
een zeer koude nacht of bij een dooiaanval, de
bovenluchttemperaturen kunnen dan behoorlijk oplopen terwijl
zich in de onderste luchtlagen een koude, zogenaamde ‘plaklaag’,
weet te handhaven
Vooral in
geval van winterse buien of kans op sneeuw is deze kaart
belangrijk omdat de temperatuur op grotere hoogte voor een groot
deelbepalend is voor de soort neerslag die zal vallen. In grote
lijnen geldt; des te kouder, des te droger de neerslag (sneeuw
bijvoorbeeld kan pas vallen bij bovenluchttemperaturen lager dan
–5). Als er sprake is van een koude bovenlucht die over relatief
warm Noordzeewater wordt aangevoerd (wat in de herfst vaak
gebeurt), dan ontstaan vaak de zogenaamde winterse buien.
De
neerslagkaart
Op deze
kaart wordt de verwachte hoeveelheid neerslag die er in de zes
uren tot aan de in de rechterbovenhoek vermelde tijd en datum
zal vallen weergegeven. Des te donkerder de kleuren, des te meer
neerslag er voor die plaats wordt verwacht. Wanneer de neerslag
in de vorm van een band is weergegeven is er sprake van een
storing. Op de onderstaande kaart ligt er een storing vanaf
Bretagne over Nederland, via Noord-Duitsland, Noord-Polen en de
Baltische staten tot in Noord-Rusland. Is de verwachte neerslag
meer geclusterd, dan is er veelal sprake van buien (zoals op de
onderstaande kaart boven Griekenland en zuidelijk Turkije). Een
groot gebied waar weinig of geen neerslag valt geeft vaak een
hogedrukgebied weer zoals hier boven de strook die loopt van
Frankrijk over de Alpen naar het noordoosten. Vergelijk deze
kaart ook eens met de bijbehorende gronddrukkaart. Als u wilt
weten hoe het met de actuele neerslag staat is de radar
bruikbaarder dan de neerslagkaart.
De 2
meter temperatuurkaart
Deze kaart
is heel makkelijk te interpreteren. De kaart geeft namelijk de
verwachte temperatuur op een bepaald tijdstip weer. De kleuren
staan voor een bepaald aantal graden. De verwachte temperatuur
voor woensdag 29 oktober 2003 om 01:00 uur ’s nachts (de kaart
is geldig voor 00 utc, tel hier voor Nederland dus één uur bij
op) zal dus in Nederland rond de 10 graden liggen. De
maximumtemperatuur wordt (onder normale omstandigheden) in de
zomer tussen 14:00 en 15:00 uur bereikt en in de winter tussen
15:00 en 16:00 uur. De minimumtemperatuur wordt iets na
zonsopkomst bereikt. Op dagen waarop het veelal bewolkt is en/of
regent of wanneer er een kou- of warmtefront passeert gaan
bovenstaande regels vaak niet op. Bij een zuidwesterstorm kan in
de winter de maximumtemperatuur zelfs midden in de nacht worden
gehaald! De aangevoerde luchtsoort bepaald in de winter veel
meer dan de zon hoe warm het wordt. De zon heeft midden in de
winter te weinig kracht om de lucht veel op te warmen. Zo werd
het midden in de strenge winter van 1947 (de op één na (1963)
koudste van de 20e eeuw) midden in januari tijdens
een zuidwesterstorm in Maastricht 17.2 graden, een record voor
januari dat nog steeds staat. Van 21 januari tot 24 februari
kwam het kwik vervolgens nauwelijks nog boven het vriespunt. Het
kan verkeren.
De
Windkaart
Deze
kaart geeft de verwachte windrichting en sterkte op een bepaald
moment weer doormiddel van pijltjes en kleuren. De pijltjes
geven de windrichting weer. Onderaan hebben de pijtjes veelal
vaantjes; des te meer vaantjes, des te meer wind. Voor de
kleuren geldt dat een donkerblauwe kleur heel weinig wind
weergeeft en een donkrode tot paarse kleur juist heel veel wind,
daartussenin vinden we nog geel en groentinten (zie de
schaalverdeling rechts). De storm tussen Groenland en Noorwegen,
de vrij behoorlijke wind boven Nederland en de zwakke wind boven
Italië zijn op deze kaart terug te vinden. De geoefende kijker
zal aan de hand van deze kaart ook de ligging van de hoge en
lagedrukgebieden kunnen aangeven (hogedrukgebied; wind waait met
de klok mee, lagedrukgebied; wind waait tegen de klok in). De
wind waait grofweg gelijk aan de isobaren. Om een hogedrukgebied
is de windrichting echter iets van de kern af gericht en om een
lagedrukgebied juist wat naar de kern toe.